Peter Holvoet-Hanssen lewer pleidooi

Peter-Holvoet-Hanssen. Foto: Jo Clauwaert

Peter-Holvoet-Hanssen. Foto: Jo Clauwaert

PETER HOLVOET-HANSSEN
(Antwerpen, 1960) Deze dichter weet oude tegenpolen te overstijgen. Creëerde een eigen niche in de poëziebiotoop met het ‘magische drieluik’ (1)  Dwangbuis van Houdini (1998, Vlaamse Debuutprijs 1999), Strombolicchio (1999, Dirk Martensprijs 2001) en de vossensprong Santander(2) (2001). Na zijn ‘anti-roman’ De vliegende monnik (2004) (3) verscheen het alweer zeer lovend ontvangen Spinalonga (2005, driejaarlijkse Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap 2008). Het slot van zijn eerste poëziereis – spelend met toeval en niet-toeval, evenwicht en onevenwicht, licht en donker (ook op het podium) – ging de stilte van de dieperik in: de ‘wrakhoutgedichten’ van Navagio (uitg. Prometheus, 2008; De Morgen: ‘een monument van taal’, HUMO: de Vlaamse ‘Electro-shock blues’ van de poëzie). Werkt aan een prozaproject in Oostende, publiceert daar maandelijks in ‘Het Visserijblad’.

 

Als troubadour(4): ‘reizen door de poëzie’ voor jongeren onder de vlag van ‘Het Kapersnest’.

Info: www.kapersnest.be (met Noëlla Elpers);

PHh woont te Antwerpen-Berchem en leeft sinds 2003 van pen en voordracht.

Bijgevoegde foto van Jo Clauwaert: steeds diens naam vermelden bij publicatie.

1  quote: Jos Joosten

2  Gerrit Komrij: ‘zolang Peter Holvoet-Hanssen met zijn toverstaf zwaait, licht het landschap op’ (NRC)

3  Boek van het Jaar van Marc Reynebeau (De Standaard)

4  niét ‘performer’

‘PLEIDOOI VOOR DE VINKENSLAG (BUITEN WEDSTRIJD)’

 

Felix Poetry Festival, donderdag 18 juni 2009 – © Peter Holvoet-Hanssen

 

OPGELET:

– énkel en alleen bestemd voor publicatie te http://versindaba.co.za

– dit is geen essay, maar de ruwe versie van een ‘vuurspeech’ gehouden door PHh ter vervanging van de toen reeds gevaarlijk zieke Simon Vinkenoog: na diens jammerlijk overlijden werd uiteindelijk besloten onderstaande (spreek)tekst-in-werkversie (onafgewerkt, niet verder bewerkt) onveranderd te houden.

 

 

1)    intro

een (licht aangepast) fragment uit de dichtbundel ‘Spinalonga’

(uitg. Prometheus, Amsterdam, 2005)

 

Dit is de stad

 

Hoort, hoort, in alle talen zwijgt haar avondrood.

‘Zee in de zee en vermiljoen, zo is mijn schoot.’

                       

Europa, zwarte gaten rukken op – aan de rand van de stad

kijkt een jongen naar rechts, wordt langs links gegrepen door een trein

 

ramt wel eens een building en met regelmaat een collega

snijdt soms op een warm spoor een vlinder de vleugels af

 

maar ‘t binnenrijden van ‘t station als ‘t avondblauw aan ‘t nachten slaat

een groezelige grensovergang met op een zijspoor een vuil stel, verweesd

 

een mankende duif, op weg naar het perron – is wel

is niet – geen romantiek maar de kadans van een doodseskader

 

kom binnen, ik zoem en jengel om aandacht, verscheur de door mijn fijn stof

benevelde nacht, verstik de sterren, een krakerspand met zwarte macht

 

de laatste asielzoeker denkt: dit is niet romantisch, is dit dus de stad

van het droomland – een cel in de hel, van leegte krijt zij op de stoep

 

dit is de stad, bij de grijsgroene rivier

bij Maria en bij Allah, dit is de stad

 

 

2)    Dames en heren,

 

 

poëzie is geen kleurwedstrijd. Hier geen oogkleppen. Het beste pleidooi voor de poëzie is immers de poëzie zelve. Als zij tenminste tot uw verbeelding spreekt.

Welkom, in Antwerpen, stad die zich wapent tegen de Lange Wapperbrug – in mijn poëzie ‘visionair’ betiteld als ‘de Duivelsbrug’. Welkom op het eerste – internationale – Felix Poetry Festival. Moge poëzievonken dit prachtige pakhuis doen opgloeien als nooit tevoren, dat het festival er als een vuurtoren mag staan, want ik heb het zo vaak geschreven en verteld, u hebt het www.overigens.be net gehoord, u leest het dagelijks in uw krant: zwarte gaten rukken op. Tegenpolen gloeien nu gevaarlijk op: West – Oost,… En vluchten kan niet meer, zelfs niet in uw meest Vlaemsche bunker (ja, sorry, ik ben een Waal in het diepste van mijn gedachten): het lachen zal u vergaan want het leven ís onveilig van nature. 

Dichters en poëzieminnenden, schrijf en spreek daarom met uw fijnste sterrenstof-stem, bezeten of kühl und sternhell [1] met een innerlijke nóódzaak. Paul Van Ostaijen stelde: ‘kunst is liefde in elke daad’. Kras daarom met uw grootste hart en beste pen als nimmer tevoren in deze vervuilde tijdruimte zo ziek van miserie en eigen-Belang, een tijd waar westerlingen met dichtgeknepen gatskaken in hun 4×4 in de file staan luisterend hoe ze in Belfast families Roemenen (in 2007 toegetreden tot de E.U.) in de prak slaan, poëzie als een aardig randverschijnsel beschouwend (“Poëzie??”), een tijd waar – na het anything goes uit de jaren negentig – het poëtisch denken nog een knieval zou maken voor consumptie en beluistering-op-maat, of verwordt – zoals Jos Joosten ooit stelde – tot een vrijblijvend tijdverdrijf met voldoende vrije tijd en verder ook weinig tot niets te klagen.

 

Nee, geef mij dan het vuur van Simon Vinkenoog. Hij sprak met gloed:

‘Alles is poëzie. (…) Niets is uit te sluiten van die ontroering die aan de bron van al het leven en de creativiteit staat. Ritme en beweging, klank en vorm zijn ons gegeven om te vertolken in poëzie, muziek en dans. (…)’

Goede raad is vuur, voor Vinkenoog. Graag citeert hij Antonin Artaud, diens theater van de wreedheid dat oude tegenpolen met verstomming wist te slaan.

Ter zijner ere, en voor u, luister even naar wijlen Artaud:

 

O PEDANA

NA KOMEV

TAU DEDANA (etc.)

 

Simon Vinkenoog stelde:

‘Ware poëzie is een energie-overdracht uit de hoorn des overvloeds, een daad van bevestiging (hier knipoogt hij wellicht naar het pleidooi voor poëzie van Eddy Van Vliet zaliger – voor wie poëzie een lévensbeschouwing was), (ware poëzie is volgens Vinkenoog) een teken van overlevingskunst.

Geen hobby, maar een passie. Geen luxe, maar noodzaak.

Levende adem, waaiende geest, bewogen ziel.

Poëzie dient onverbiddelijk te zijn, of niet.’

         

Volledig akkoord. Poëzie dus, zoals ík het noemen wil: als een VINKENSLAG. Maar niet gebonden aan een opgeklopt wedstrijdgebeuren (‘Hoeveel slagen heb jij?’). Veel verder gaat dit ook dan een knípoog-‘kwinkslag’: het is de kwinkslag van de niét weg te lachen nar die zich, waardig, durft onwaardig te gedragen. Om vertakking en verstrakking weer vloeibaar te maken, tot monding te brengen. Poëzie, niet om het gekneusde ego op te blazen of om de cultuurcentra wat te verstrooien, maar om het lied, om de slag van het vliegen.

Lach dus niet meer schamper om het woord ‘troubadour’, tatoeëer op je voorhoofd geen 56 sterren maar een vers van François Villon (geen ongevaarlijke schavuit trouwens), die schreef – en men zong het in de donkerste kroegen van Parijs: DE DOOD SLAAT TOE ZONDER PARDON .

Als je crasht, zoals ik op het einde van mijn eerste poëziereis, BREEK JE dan AF EN BOUW JE weer OP: je hebt tenminste getracht uit de dwangbuizen te ontsnappen.

 

— Simon Vinkenoog is helaas zeer ernstig ziek.

Het is een hele eer zijn plaats te mogen innemen, maar als eerbetoon heb ik zijn boek bij: ‘GOEDE RAAD IS VUUR’, in 2004 bij Uitgeverij Passage verschenen toen hij 75 jaar was. Moge deze krasse Vijftiger uit donkerdiepe ziekenhuispoelen weer fonkelend boven borrelen…

GOEDE RAAD IS VUUR – ik zal er af en toe iets uit voorlezen. Bv.:

‘Poëzie is geen afleiding. Zij kan niet opgeroepen worden om troost te bieden, hoe zwaar ook de tijd.’

— Dat kan u lezen in dit boek.

Ik denk dan: mensen die amper of nooit poëzie lezen, wanneer komen ze ermee in aanraking? Als ze een tekstje zoeken voor een doodsprent? Daar is niets op tegen. Maar geef mij dan poëzie die troost zonder te troosten. Taal als vervoermiddel – van hobbelpaard tot lijkauto over de kasseien – voor vervoering. Vervoering betekent echter meer dan ontroering: je mag de lezer ook ontregelen, uitdagen, shockeren zelfs. Waar wacht u dan op? Poëzie is er niet om te ‘begrijpen’, zeg ik tegen jongeren tijdens mijn ‘Avontuurlijke reizen doorheen de poëzie’, wetende dat meer dan 80pct van de mensen (ook de leerkrachten) zulke ‘gemakkelijke’ poëzie verkiezen. Euro in een gedicht stoppende, willen ze instant emotie en begrip terug. Een neo-liberalistische reflex? Maar poëzie is er niet in het minst om die dingen voor de geest te schilderen waar je net niét de vinger op kunt leggen. Zij opent een waaier van werelden, rijt de taal open, om – zoals Jeannette Winterson zei – de wonde schoon te maken en het dan geleidelijk aan te leren zichzelf te helen. Die geneeskracht: daar is Simon Vinkenoog van overtuigd.

— Die ‘healing power’ is niet míjn dada, daarom voeg ik er aan toe: het ultieme gedicht is een gebeurtenis, mag niet geschreven lijken. Of het nu hemelbestormend is of het dagdagelijkse leven als setting heeft, of het droevig is of grappig (of allebei), ogenschijnlijk vlot of complex (of allebei), meeslepend of confronterend (geef mij maar: allebei): maak van je gedicht een belevenis. Dat het lééft. Dat kan met enkele woorden, als diamanten geslepen en uitgezet op een blad. Of als een caleidoscoop, aan scherven. Dat kan in een spervuur, maar ook in een sonnet. Maar wees je eigen alchemist – je eigen vijand, dichter – als je de taal tot woordkunst maakt. Durf je grenzen te verkennen, te verleggen.

— Ikzelve ben nu een heel andere poëziereis opgestart… Elke maand publiceer ik ‘exclusief’ een voorsmaakje voor de laatste vissers in het Oostendse ‘Het Visserijblad’. Dit ongepubliceerd gedicht staat op stapel:

 

De inslag

 

Jan Bart, maak 386 bodems buit.

Vecht terug, ze kelderen de laatste vissersschuit.

 

De dichter melkt de fles, zo handig, vol herkenbaarheid.

Wat een metier! Applaus! Een zebra: een pyjamapaard.

Een dichtbundel: een olifantje, klein en afgericht.

Waarom begin je geen frituur in Budapest – en bak

gedichten als goulashkroketten of zigeunersticks.

De wolkenkrabbers smelten maar jij komt niet uit je kot.

Nee, hoofd omhoog en schrijf: een tram rijdt door mijn linkeroor

 

Wat heeft mijn leven met je leventje te maken, denkt

de dakloze, wagon in as. Ruik je zijn hersenen?

Pomp van het groot verdriet. Zijn boot ging overboord – verhaal

werd kaalgeplukt door modeschapen. Geen moraal. De sloop.

Oom Walter heeft een webcam – gecastreerde cavia’s.

De bakermat: bacteriën, een mens een biotoop.

 

 

— Deze verzen kwamen tot stand na lezing van de geschriften van de bioloog Lynn Margulis (zie niet in het minst het literaire tijdschrift ‘De Gids’ (NL, mei 2009)), zij stelde in een lezing: ‘Wat wij ‘het milieu’ noemen is ons lichaam. En dat we niet in staat zijn dat onder ogen te zien, is vermoedelijk de bron van de meeste milieuproblemen.’

Ziet u die uitspraak niet onder ogen? Wij moeten buiten onze oevers treden. ‘Gedurende de eerste twee miljard jaar, misschien zelfs langer, misschien wel drie miljard jaar, was de wereld bacterieel.’ Respect dus voor de oeroude stromatolieten! Wij mensen zijn een bacteriehaard, wij zijn hun vervoermiddel. De wereld bestaat uit een waaier van werelden, en jij en ik ook. De wereld is bacterieel, viraal. Geschiedenis stroomt door ons bloed. Dat opent de ogen.

Zelve schreef ik gedichten als spoorelementen (sommige sporen liepen dood, andere doken gedichten later of dichtbundels later weer op: zo sterft ‘Sneeuwmaker’ uit mijn debuut ‘Dwangbuis van Houdini’ in de laatste wrakhoutbundel ‘Navagio’).

Ik schreef dichtbundels als organismen, in een spanningsveld met toeval (woorden die ik optekende als een woordenjutter) en niet-toeval (scenario’s die ik bedacht), spelend met evenwicht en uit-balans (de eerste helft van ‘Santander’: symmetrie versus de tweede helft: met opzet uit evenwicht, ontsporing), op leven en dood in de clinch met licht en donker… Een ‘paradigma’ nog niet (h)erkend, maar wij ploegen – ‘onnavolgbaar’ – voort…  

Nu de kaarten verdeeld zijn (de bloemlezing ‘Hotel New Flanders’ is er gekomen), nu de beste exempels aan de Andere Kant van de tafel flink wat sterren kregen, ligt nu juist een uitdaging klaar om een derde weg te verkennen. Zonder new age op speed. Modernisme / post-post-laat-modernisme. Stopt het hier? Gaan wij verder wat borduren? Hoog tijd om verder te denken, verder te tasten. Grijp je hersenpan bij de steel en durf over die schuttingen te kijken, in het licht ook van nieuwe ontdekkingen (zwarte maar ook: witte gaten, materie maar ook: anti-materie). Zo ver moet je het niet zoeken, geen wierook of gezwam. Elke mens is immers zelf een biotoop.

En dat derde, ontbrekende getal (tien jaar mijn dada, mijn zoektocht), dat ooit een monnik in waanzin deed opvliegen? Het is eigenlijk poep-sim-pel en er hangt zelfs geen geurtje aan.

Vb. Je woont in Palestina? Dat is dan één. Leer dan je roots kennen.

Kijk dan naar Israël. Daar aan de Andere Kant ligt twee. Jodendom. Bestudeer het. Stijg dan boven één en twee uit, om even (voor je weer valt in je eigen veld) in dat derde camerastandpunt de zaken te bekijken. Lijkt een normale zaak, maar helaas, ook in zogenaamd intellectuele kringen dringt het niet door. Nee, we spreken liever over ‘dé Walen’, ‘dé Marokkanen’,… Zoals we in de middeleeuwen iedereen die donker van huid was (van Berber-bergen of Timboektoe afkomstig) ‘de Moren’ noemde.

M.a.w. er valt nog zo veel te exploreren. Kijk niet neer op wie op zijn bek durft te gaan. Ontgin deze mogelijkheden, maak die nieuwe verbindingen. Wie heeft er nood aan een gepolijst product binnen de krijtlijnen van een achterbannetje? Lijnen moeten er zijn, reflectie is onontbeerlijk, je moet inderdaad nadenken over je positie in het veld. Maar dan: doorploeg dat veld, breek uit. Er is nog leven buiten de lijnen, buiten de territoriale wateren.

MAAR: kennen wij ons ‘veld’ wel genoeg? De ploegmeesters?    

Ik pleit daarom, zoals ook Paul Claes doet, om de klassiekers te lezen en herlezen. Paul Claes zei recent in een ‘Poëziekrant’-interview:

‘Alleen door de traditie voortdurend te hergebruiken en te herinpreteren, kan ze levend blijven.’ Dat is meer dan gewoon doorgeven van erfgoed. Op zijn minst moeten wij de vuurpijlen herbekijken, vind ik, van de Griekse cynici Antisthenes en Diogenes, en dichters als Lucebert herlezen, naar diens goddelijk klankspel luisteren, om zo onze eigen, kleine revolutie vorm te geven. Hoe klein ook of tot falen gedoemd. Maar giet het in schitterende, noodzakelijke, ‘pregnante’ vormen (je mag gerust het biervilt-formaat verlaten, bv. een gedicht in wolkenvorm schrijven).

 

Dit is een pleidooi voor spanning en noodzaak. Om bv. het gezichtsveld van ik-lyriek te verbreden, andere kamers van de poëzie te openen. Maar ach, het is al zo vaak gesteld. Geraakt u niet verzadigd van die pleidooien? Ik wel.

— Laat ons daarom terug naar Vinkenoog gaan, want ik ging nog wat voorlezen uit GOEDE RAAD IS VUUR:

          ‘Doorgrond jargon en shoptalk, houd je niet bij de koetjes en

kalfjes, confronteer eens je vriendenkring met een Soefi-uitspraak:

“Om te kunnen leven, moet je kunnen sterven. Om te kunnen sterven, moet je ontwaken. Ontwaken doe je 1000 keer. Sterven doe je één keer.”’

Of:

‘Jonge dichter, zoek je eigen stem.’

Of:

‘Een betrokken poëzie. (…) Eenvoudig of onbegrijpelijk. Daar ga ik voor. Dat is ook mijn uitgangspunt, mijn raad, mijn keuze. Ook ben ik ervoor dat poëzie uitgesproken moet worden, gehoord moet worden.’

Tja, helaas heb ikzelf – in tegenstelling tot de edelbeste Simon Vinkenoog – zo vele gedichten geschreven die zich niet tot voorlezen uitnodigen, ik heb steeds die enkele gedichten gehanteerd (bv. personages die in mij wonen die ik op een podium kon uitvergroten) die zelf wensten voorgelezen te worden. Maar voor je het weet, krijg je dan het etiket ‘podiumdichter’ toebedeeld. Veel van mijn verzen, en dat vergeet men zelfs opzettelijk, lenen zich beter tot lezen dan voorlezen.

Wat niet wegneemt dat het mijn ambitie is – en to have ambition was my ambition zoals The Gang of Four in de jaren ’80 zong – ooit één gedicht als een lied te schrijven dat in het collectieve geheugen wordt opgenomen – mijn naam verdwijnt vroeg of laat. ‘Drie schuin tamboers die kwamen uit het Oosten…’ ‘Daar was eens een meisje loos…’ Wie heeft dat geschreven? Daarom verdiep ik mij momenteel met het dolende verteltheatergezelschap Les Astres de Madame Toutou in de orale traditie samen met www.donfabulist.be en ga op avontuur met Vertellers…

 

Soit, terug naar Vinkenoog. Hij brengt hulde aan onze held Arthur Rimbaud, die in een brief het onderscheid maakte tussen het kritische ik en het creatieve ik (het u welbekende ‘Car Je est un autre’). Hij houdt een vurig pleidooi voor opwinding, zindering – opdat je als een ander mens uit een gedicht tevoorschijn komt.

 

Wel, zulke gedichten zijn schaars, maar: ze worden geschreven. Naudé nog aan toe. Er zijn schitterende dichters, oud én jong. Maar als zij op veilig zouden gaan spelen, het betere maakwerk, dooft het vuur uit.

 

Mijn lijfspreuk blijft dan ook die van Jean Cocteau: ‘soyons courageux, soyons fous –‘

Vinkenoog haalt een anekdote boven in zijn boek. ‘Gevraagd wat hij zou meenemen als zijn huis in brand stond, antwoordde Cocteau: “Het vuur.”’

 

Is dat een anekdote? Nee, dit gaat over het Heilige Vuur. Over noodzaak. Over niet vrijblijvende gedichten als een VINKENSLAG, zomaar niet hapklaar voor de bloemlezingen.

 

We hebben méér dichters met visie nodig, vuur én visie.

Inderdaad, ze zijn er, Ter Balkt nog aan toe.

Maar we moeten hen ter hulp snellen. Hun dichtbundels kopen,…

Hen tenminste toch af en toe lezen.

Een cultuur wordt door ‘ons kapers’ gemeten aan de hand van de belangstelling, hart en vuur voor poëzie. Alle gedichtendagen nog aan toe, dan scoort onze samenleving niet goed.

 

Poëzie als een vinkenslag moet lijden tot het einde van het onderscheid ‘ik wil mijn gedichten toegankelijk’ of ‘zijn die gedichten wel Van Bastelaere approved’?

Poëzie als een vinkenslag (buiten wedstrijd) moet lijden tot het einde van de dichotomie klassieke voordracht versus ‘performance’.

Moet lijden tot het einde van pleidooien voor poëzie.

Want poëzie als een vinkenslag lijdt vanzelve tot vlezige gedichten in het spoor van Claus (de oproep van David Van Reybrouck), lijdt vanzelve tot gedichten (ik refereer nu naar Erik Jan Harmens) die je bij de ballen nemen,…

Moet eindigen tot het einde van dit pleidooi.

 

Tot slot, MARC REUGEBRINK op zijn blog stelde het haarscherp – laten we eens goed naar hem luisteren (gelukkig mag de schrijver van hem naast zijn werkzaamheden ‘best de activist uithangen’).

 

‘Literatuur gaat altíjd over de wereld – ze produceert werkelijkheid die staat naast of tegenover, parallel loopt of samenvalt met de andere, elders geproduceerde werkelijkheden. (…) Dus laten we dit nou eens afspreken met elkaar: in plaats van aan literatuur van alles te willen opleggen met betrekking tot onderwerpskeuze (hij refereert hier naar recente ‘Vegtlijnen’ van Erik Jan Harmens en Ilja Pfeiffer), zouden we er beter aan doen haar te lezen als juist uitdrukking van werkelijkheid – niet als een op zichzelf betrokken, een ‘fictionele’ of louter ‘literaire werkelijkheid’, maar als een werkelijkheid die met literaire, en niet met journalistieke, wetenschappelijke enz. middelen tot stand is gebracht.’

 

Ughh, daar kan ik me in vinden. Gedaan met dat ‘poëzie moet dit, het moet zo en zo’, denk zelf na. En zelf vind ik dat de dichter in de wereld staat en zich best opent voor die wereld, maar ik ga het niemand opleggen. Ik ben geen dwangbuismaker. Maar het is wel heerlijk om te probéren uit die keurslijven te ontsnappen.

 

Ikzelf ging in de voetsporen van Harry Houdini op onderzoek, HH die binnen én buiten de wet stond. Ik smokkelde met opzet flauwe grapjes in mijn verzen (‘draag geen string onder je kilt’), als JUNK-DNA, om het zaakje soepel te houden. En eindigde punched in the stomach by a young man – maar: Harry komt terug, zijn bravoure stopt niet als wij in zijn voetspoor de kettingen aanpakken, één voor één, de dwangbuizen die wij voor mekaar maken.

 

Kent u de TV-serie ‘The Wire’? West- en Oosthoek spuwen Omar Little uit, Omar hoort niet bij de East Side of West Side van Baltimore. Omar is een nomade op roverstocht. Bloed vloeit in Baltimore, het stolt niet. Omars ogen zijn maankralen. Omar scheert boven de tweespalt en boven de verdeel- en heersmentaliteit. Hij lacht zijn tanden bloot. Over het hele gezicht heeft hij een litteken. Omar heeft een erecode. De rest over ‘Omar en The Wire’ kan je lezen op www.kapersnest.be

 

Wij dienen (zoals Omar) Walt Whitman te lezen en te herlezen met Lorca en Rilke in de achterzakken, met Leonard Cohen op onze iPod: Walt Whitman, de ‘dichter als verslaggever én mysticus, beschaafd én anarchistisch,…’ Brouw uw brouwsel op het ritme van alexandrijnen of vreemde tam-tams, erudiet én vulgair, met oog voor het wetenschappelijke, maar heb ook oog voor subtalen en oor voor klankpoëzie. Alles staat ter uwer beschikking. ‘Alles is poëzie,’ zei Simon Vinkenoog. Kijk in uw afgrond, zie uw donkerste kant in de ogen.

O, kom je zoals ik nog niet aan de enkels van een Rabelais? Luistert er niemand meer? Blijf zingen, om het lied in je zelf. Al haal je maar één vinkenslag – uw poëzie in deze wereld waar alles NUTTIG moet zijn, is broodnodig, uw schone ‘nutteloosheid’: meer dan ooit nodig.

 

Voor mij geen Europa van dichtgeknepen gatskaken, maar van poëzie. Dichters, breek uit uw ei! Nee, dit is geen pleidooi om samen een omelet te bakken, maar verzenbrouwers mogen best eens uit hun cirkel breken, met uitgestoken hand, om nieuwe ervaringen op te doen en uit te wisselen.

Zucht, daar gaan we weer. Maar ik ga dra Columbiawaarts [2], om te proeven daar van het witte VUUR. Poëzie: zij lééft toch in ons, is het levend vuur. Zo niet, zijn wij levend dood. Dan wordt de vinkenslag een wedstrijd, worden dichtende vogels in een kooi opgesloten tot vermaak van het publiek. Tot ergernis van de volière-wachters, dromend van een nieuwe villa. Een hagelwitte keuken.

Dan verdwijnt de gouden wolkengloed weerspiegelend in modder- en bloedplas in het gapende gat van onze cultuur.

 

Zet dus het zolderraampje in uw schedeldak open. Zie je die lijnen in de lucht? Kleur meer buiten de lijntjes. Nu is het moment daar. Hoog tijd voor poëzie. ‘Ring the bells that still can ring.’

Hoor, Leonard Cohen, live in London: ‘There is a crack, a crack in everything, that’s how the light gets in.’

 

Jalal al-Din Roemi, de 13e eeuwse Perzische Soefi-mysticus, stichter van de orde

 

van de ‘dansende derwisjen’, schreef (het staat opgetekend in Simon Vinkenoogs

‘Goede raad is vuur’):

                  

    Ik ben de mist in de ochtend, ik ben de adem van de avond,

    Ik ben het ruisen in de bomen, de zingende golf van de zee.

 

    Ik ben de mast, het roer, de roerganger en het schip

    Ik ben het koraalrif waarop het vergaat.

 

    Ik ben de boom van het leven en de papegaai op zijn takken,

    Stilte, Gedachte, tong en stem.

 

Laat daarom, nu, onverbiddelijk, de poëzie voor zich spreken.

 

Horen wil wie h o o r t.

 

 

Peter HolvoetHanssen

 

(‘Where where where is my gypsy wife tonight ♫’)    

 

18/9/2009

 

_________ http://www.kapersnest.be _________

 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.