Onderhoud: Miriam Van hee

‘n Mymerende verset teen verganklikheid

Miriam Van hee in gesprek met Louis Esterhuizen

Miriam Van hee

Miriam Van hee

Miriam Van hee (Gent, 16 Augustus 1952) het in Gent en Oostakker grootgeword. Vanweë haar studies in Slawiese tale werk sy tans as dosent by die Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken in Antwerpen. Digters wie se werk sy reeds na Nederlands vertaal het, is onder andere Anna Achmatova, Osip Mandelstam en Josef Brodski. Van hee debuteer in 1978 met die bundel Het karige maal waarvoor sy die Oostvlaamse prijs voor Letterkunde ontvang. Daarna volg nog agt bundels, te wete: Binnenkamers en andere gedichten (1980), Ingesneeuwd (1984), Winterhard (1988) wat met die Jan Campertprijs bekroon word, Reisgeld (1992) waarvoor sy die Dirk Martensprijs van de stad Aalst ontvang, Achter de bergen, (1996), Het verband tussen de dagen. Gedichten 1978-1996 (1998), De Bramenpluk (2002) en Buitenland (2007). Met die uitsondering van die eerste twee bundels, wat by die Masereelfonds verskyn het, verskyn al haar volgende digbundels by De Bezige Bij, Amsterdam. Vir Achter de bergen ontvang sy in 1998 die Driejaarlijkse Cultuurprijs voor Poëzie van de Vlaamse Gemeenschap. Sy was die eerste vrou wat hierdie prys ontvang het. Volgens die beoordelaars se verslag word haar verse gekenmerk deur hul “eenvoud en suggestieve kracht”. Hulle prys haar vir die “doordachte manier waarop zij alledaagse ervaringen in uitgepuurde verzen op een hoger niveau tilt”.

Ook verskyn haar verse gereeld vertaal en verskyn in Pools (vertaler: Jerzy Koch), Sweeds (vertaler: Antanas Gailius) en Frans (vertaler: Etienne Reunis). In 2006 het daar ‘n bloemlesing in Duitse vertaling deur Gregor Seferens by Korrespondenzen Verlag in Oostenrijk verskyn, asook ‘n nuwe bloemlesing in Frans wat deur Philippe Noble vertaal is. Bloemlesings van haar werk het ook in Meksiko (vertaal deur Marco Antonio Campos) en Engels (saamgestel en vertaal deur Judith Wilkinson), verskyn.

Miriam Van hee neem gereeld aan poësiefeeste deel. Hieronder tel Poetry International (Rotterdam), Other Words (San Francisco), Poetry on the road (Bremen), die somerfees by Watou, asook poësiefeeste te Druskininkai (Litouwe) en Moskou.

Sy woon met haar man en twee kinders deels in Gent en deels in Cevennen (Frankryk).

Miriam, jy het al by verskeie geleenthede met groot sukses in Suid-Afrika opgetree en afgesien van die uiters gevoelige manier waarop jy jou verse voordra, is dit telkens die melancholiese aard daarvan, sowel as die sterk landskapsgerigtheid van jou verse, wat die gehoor aangryp. Aangesien die landskap iets is wat nie té prominent in die Nederlandstalige digkunste figureer nie, kan ‘n mens nie help om die wonder waar dié sensitiwiteit ten opsigte van tyd en ruimte vandaan kom nie …  Reis jy byvoorbeeld baie?

 

Het is waar dat het landschap een grote rol speelt in mijn poëzie. Ik word vaak geraakt door de schoonheid ervan, en heeft gedichten niet ook iets te maken met schoonheid? De weemoed ontstaat door het besef van vergankelijkheid, en dat besef dringt zich vaak op tijdens wandelingen in de natuur. Een groots landschap lijkt de mens, met al zijn emoties en bekommernissen en illusies toch erg te relativeren. Maar de schoonheid van de natuur is ook een bron van vreugde en troost voor mij. Het is vooral sinds ik mijn vakanties doorbreng in de Cevennen, in Frankrijk, dat ik geïnspireerd raakte door de natuur, de dieren, de vogels, de seizoenen.

 

As motto vir jou mees onlangse bundel (buitenland, De Bezige Bij, Amsterdam, 2007) neem jy as motto die volgende reëls van Czesław Milłosz: “Niet uit droefheid vraag ik dit, / maar al mijmerend.” Hiermee aktiveer jy dan een van die hoofkenmerke van jou poësie, naamlik die mymerende aard daarvan met die gepaardgaande melancholie as integrale ondertoon. Maar die melancholie is vir jou nie ‘n negatiewe emosie nie, is dit? Dis eerder asof dit die inspirasie-bron is waaruit jy jou verse na die lig bring … Gaan jy akkoord hiermee?

 

Ja, dat is waar. Ik geloof dat weemoed inherent is aan het gevoel van vergankelijkheid. Ook echt geluk ervaar ik maar pas doorheen de weemoed. Geluk lijkt altijd bevochten op verdriet of tegenslag, risico’s, keuzes. Op een of andere manier heeft weemoed te maken met verandering. Iemand heeft ooit gezegd dat het thema van mijn werk ‘de verandering’ is in al zijn gedaanten, en ik denk dat dit waar is, het moment waarop iets verandert (ook het weer, gevoelens) ontlokt mij het gevoel dat ik moet schrijven.

 

Die titel van jou mees onlangse bundel is natuurlik meerduidig: op sigwaarde dui dit daarop om “buite die land te wees”, maar dit bevat ook ‘n suggestie van “sonder die land” te wees, met ander woorde: “alles ‘buiten’ die land. Kan jy dalk vir ons ‘n aanduiding gee van wat dié titel alles vir jóú beteken en hoe jy die verskillende betekenisvlakke in die bundel ontgin het?

 

Ik zie het eigenlijk als een soort van bagage, een last die veel mensen met zich meedragen, iets waarover ze niet kunnen praten, een trauma, iets dat onvoorstelbaar is maar waarmee je toch moet leren te leven. Maar ook andere betekenissen spelen mee, steeds vaker ontstaan mijn gedichten letterlijk in het buitenland, als ik op reis ben, omdat mijn zintuigen dan ‘scherper staan’, ik kwetsbaarder ben, sneller denk misschien, van een grotere ontvankelijkheid blijk geef. De cyclus ‘buitenland’ is eigenlijk ontstaan na het lezen van boeken over de Goelag. Dat greep me erg aan en ik vond dat ik als dichter ook daarover moest kunnen schrijven, over iets wat ik niet zelf heb meegemaakt.

 

Die slotstrofe van die openingsvers in jou bundel, polen of oostenrijk, lees soos volg: ” …, je schreef wat je hoorde / in schriften, met woorden / heb je de tijd zoekgemaakt”. Kan hierdie reëls dien as ‘n arse poetica vir jou digwerk?

 

De tijd zoekmaken bedoel ik hier positief. Als je de tijd vergeet, betekent dat misschien dat je intensief in iets verdiept bent, dat je met iets waardevols en zinvols bezig ben. Dat geloof ik inderdaad: dat het schrijven aan mijn leven zin en waarde heeft verleend. 

 

Die afgelope aantal jare het die teenwoordigheid van die sogenaamde “anekdotiese vers” veel meer prominent geraak in ons eie digkuns. Volgens my is jy die meester hiervan; nie soseer met lang, uitgesponne versreëls wat (soms) na aan die grens met prosa beweeg nie, maar vanweë die feit dat jou verse telkens hul vetrekpunt vanuit ‘n spesifieke, konkrete insident of waarneming neem en dan deur middel van introspeksie en mymering voorstu na ‘n “oop” einde wat nog lank bly resoneer na die vers klaar gelees (of gehoor) is. Kom die anekdotiese vers vry algemeen voor in die Nederlandstalige digkunste en hoe sy jy jou eie skryfwerk binne hierdie tradisie posioneer?

 

Deze vraag vind ik moeilijker te beantwoorden. Ik ben het eens met je appreciatie van mijn gedichten. Er zitten inderdaad veel (meestal biografische) fragmenten in mijn gedichten. Dat het geen ‘verhaaltjes’ worden komt door mijn taakgebruik, denk ik. Soberheid, ritme en assonantie zijn erg belangrijk voor me.

 

Onlangs is die posisie van Stadsdichter van Gent vir jou aangebied; ‘n aanbod wat jy van die hand gewys het. Was dit weens persoonlike of professionele redes?

 

Laat ik zeggen dat het stadsdichterschap iets is dat mij niet ligt. Ik ben ten eerste niet zo’n dichter die gemakkelijk kan schrijven op verzoek, ik doe dat hoogst zelden – ten tweede zoek ik nooit belangstelling, media, podia op, ik ‘functioneer’ het best onder vrienden, in familieverband, en ten derde werd mij daarvoor maar een schamel loon aangeboden, bijna 10 keer minder dan de stadsdichter van Antwerpen krijgt, dus waarom zou ik mij inspannen (over een nieuw museum of een park schrijven) voor iets waartegen ik erg opzie. Liever arm maar vrij dus.

 

In jou loopbaan het jy reeds vele pryse ontvang; soos onlangs nog die Poesias Europese prys vir poësie wat jy vir die Franse vertaling van jou bundel de bramenpluk (De Bezige Bij, Amsterdam, 2002). Baie digters ervaar bekronings van dié aard as iets wat hulle inhibeer. Is dit so met jou, of dien dié bekronings as bron van inspirasie?

 

Nee, het is geen bron van inspiratie voor me, het streelt wel mijn ijdelheid. Maar als ik schrijf denk ik natuurlijk niet aan een ‘beloning’ of zo. Het is wel zo dat ik door die prijzen meer zelfvertrouwen heb gekregen. Wat een zekere tegenstrijdigheid bevat, het is bijzonder dat het schrijven over mijn eigen kwetsbaarheid mij aanzien heeft gegeven in de samenleving.

 

Ten slotte, jy het ‘n besonderse affiniteit vir die Russiese digkuns en het ook al onder andere Osip Mandelstam en Anna Akhmatova vertaal. Vanwaar hierdie passie spesifiek vir Rusland en sy digkuns?

 

Mijn belangstelling voor de Russische literatuur komt voort uit mijn studie slavistiek. Het is verrijkend om een andere dan de Nederlandse literatuur goed te kennen en niet zo gefixeerd te blijven op de Nederlandse lit (en het maakt je minder gevoelig voor concurrentie, en dus vrijer). Zo ook heb ik met belangstelling kennisgenomen van de Afrikaanse literatuur, op dit moment lees ik van Ingrid Winterbach het ‘Boek van toeval en toeverlaat’.

 

Ik heb altijd genoten van het werk van auteurs die een persoonlijke problematiek met een grote, historische of complexe achtergrond weten te vermengen. Het werk van Brodski, Mandelstam of Achmatova is niet alleen te lezen als het verslag van een turbulent, tragisch leven, het is ook, en misschien zelfs in de eerste plaats, een superieure kunstuiting, een triomf van het woord.

 

Maar daarnaast heeft mijn belangstelling voor de Russische literatuur ook te maken met mijn liefde voor de taal. Het is een erg muzikale taal en ik kreeg de eerste lessen Russisch van mijn vader (die het zelf ook pas als volwassene geleerd had, hij was niet van Russische afkomst of zo).

 

Baie dankie vir die gesprek, Miriam. Sal jy so vriendelik wees om hieronder vir ons lesers ‘n vers van jou oor te tik?

 

zomereinde aan de leie

dit is wat een schilder zou zien:
de gebleekte graskant, kastanjes
en linden, het warme maar heengaande
licht van de avond en tegen de haag
op de andere oever een loper, en zijn
gedachten, hoe schilder je die
en boven het water de meeuwen
en tussen het licht- en het donkerder groen
de plecht van een jacht, het schuiven
der dingen, de richtingen

het water zelf kun je hier waar wij zitten
niet zien en ik vraag me nog af hoe je
afstanden schildert, steeds lichter misschien
tot je wit overhoudt, en hoe het verleden
toen jij daar nog liep

hoe schilder je dat je nooit weer
daar zult lopen, tegenstribbelend
aan je vaders hand

uit: ‘Buitenland’, De Bezige Bij, 2007

Bookmark and Share

Comments are closed.