Yves T’Sjoen. Literatuur & avontuur

Raster, werkplaats van literatuur

Het dubbelnummer 123/124 van Raster, ‘tijdschrift in boekvorm’, verscheen onder de titel ‘Het Einde’. Toch was dit niet de laatste aflevering. Nummer 125, een ‘extranummer’ met zwarte kaft en sobere witte belettering en in de inleiding ‘een afscheidscadeau van De Bezige Bij’ genoemd, presenteert een index op alle Rasters van 1977 tot 2008 (met name van de tweede reeks). De nummering van de Raster-boeken startte in 1977 weer vanaf één, het moment dat ‘Raster […] na zes jaargangen en veel tegenwind’ weer bovengronds kwam. Het bibliografisch register in 125 wordt voorafgegaan door een reeks gerecycleerde teksten en retrospectieves van lezers (onder wie Kees Fens, Atte Jongstra en Xandra Schutte) en, volgens de flaptekst, door ‘vingerwijzingen voor een geschiedschrijving vanaf 1967 toen Raster werd opgericht’.

Met Raster is een instituut van de Nederlandse literatuur opgeheven. Het tijdschrift heeft sinds zijn oprichting in 1967, en vooral vanaf de start van een nieuwe reeks in 1977, een stimulerende rol gespeeld in de ontwikkeling van de experimentele literatuur in Nederland. Het blad propageerde niet alleen vormvernieuwing in de literatuur. Het zette zich vooral af tegen ‘huiskamerrealisme’ (of de traditie van het oer-Hollandse realisme) en stemmige belijdenislyriek die dominant waren in het literaire veld vanaf de jaren zestig.

Hans C. ten Berge

Hans C. ten Berge

Toen de dichter, prozaïst en essayist Hans C. ten Berge het blad in 1967 boven de doopvont hield, deed hij dat – ondanks ‘een al te hobbyistische aanpak’ – met een poëticaal, zo niet een ideologisch getoonzette pleitrede voor meer ‘logopoeia’. Ik citeer: ‘een dichtkunst waarvan het intellekt een blijvend element is en een motorisch onderdeel vormt, en waarin het een duidelijke taak krijgt zoals bijvoorbeeld in Pounds Cantos het geval is’. Een meer op de vorm en het taalmateriaal gerichte, cerebrale literatuur zou een tegenwicht zijn voor de op particuliere sentimenten en mimetisch-expressieve opvattingen gestoelde literatuuropvatting die de sterkst doorwerkende trend was in de eigentijdse literatuur in Nederland. De eerste reeks van Raster, dat tot 1972 als eenmanstijdschrift van Ten Berge verscheen, waarna ‘een reeks van Rasterboeken’ volgde, opereerde in de periferie van het literaire landschap en kreeg inderdaad veel ‘tegenwind’ te verduren. Volgens Ten Berge was ook dat de reden waarom het kwartaalperiodiek na zes jaargangen ophield te bestaan.

Zodra in 1977 de tweede reeks van start ging, en Raster tot een ‘tijdschrift in boekvorm’ werd getransformeerd, met in de redactie naast Ten Berge ook J. Bernlef, Pieter de Meijer en Jacq Firmin Vogelaar (en later met wisselende redacties), bracht het periodiek een discussie op gang over de relatie tussen literatuur en samenleving (‘literatuur en maatschappelijke werkelijkheid [kunnen] niet los van elkaar [worden] gezien’) én tussen de literatuur en compositietechnieken of vormkwesties in andere kunstdisciplines (‘het [is] onaanvaardbaar literaire processen te isoleren van andere artistieke ontwikkelingen’, aldus de redactie in ‘Wat wil Raster’, 1977/1). De redacteuren voegden er nog aan toe dat ‘om die reden […] aan vormgevingsprocessen binnen andere kunsten (die ook van de letteren van belang kunnen zijn) regelmatig aandacht [zal] worden besteed’. De korte inleidende tekst ‘Wat wil Raster?’, waaruit ik deze twee frasen citeer, was een gedecideerde programmaverklaring. Raster nam zich in 1977 niet alleen voor ‘een veelvormig [en] programmatisch tijdschrift te zijn’, waarin naast Nederlandstalig werk ook ruimte is ‘voor thematische diskussies, beschouwingen, vertalingen en buitenlandse kronieken’.

In zijn verdediging van de intellectuele poëzie, met ‘het intellekt’ als ‘een motorisch onderdeel’, distantieerde Ten Berge zich resoluut van het romantische cliché van een door de muze geïnspireerde scheppende kunstenaar. In literaire artefacten wordt het scheppingsproces van de tekst zelf gethematiseerd; reflecties op het scheppen en het proces van het schrijven maken in de Rasterliteratuur integrerend deel uit van de literaire tekst zelf. Ook de tweede reeks, niet langer het eenmansproject van Ten Berge, stelde het experiment centraal: literatuur zou ‘een avontuur’ zijn waarin de traditionele (‘realistische’) paden worden verlaten en concepten als herkenbaarheid en identificatie gedegradeerd zijn tot weinig relevante categorieën in (de beleving van) literatuur. In het laatste Rasterboek luidt het avontuurlijke karakter van het Rasterproject aldus: ‘Een drijfveer bij dat alles is steeds nieuwsgierigheid geweest, belangstelling voor het onbekende, enthousiasme voor nieuwe ideeën en ontdekkingen. Daarbij heeft steeds ook de vraag meegespeeld: waar gaat het ons (de redactie) om in de literatuur? “Literatuur als avontuur” was een motto’.

Raster wilde tabula rasa maken in een tijd waarin de verpletterende erfenis van Forum zich blijvend liet gelden. Niet de persoonlijkheid van de schrijver, niet de ideeën die in een tekst hun expressievorm vinden, wel de formele aspecten van een talige constructie doen er feitelijk toe. Gezaghebbende actoren in de Hollandse kritiek van de jaren zestig en zeventig sloten evenwel nog steeds aan bij de personalistische esthetica die de mannen Forum hadden gedecreteerd en in hun kritische beschouwerspraktijk geïntroduceerd. Vanuit die forumiaanse hoek kregen de redacteuren van Raster geregeld de wind van voren en weerklonk het verwijt ‘wartaal’ te produceren.  Het intellectualisme contrasteerde dan ook sterk met de op empathie en identificatie gerichte traditie van het Hollandse realisme. Hoe harder de kritiek hoe duidelijker Raster, en de Rasterliteratuur, zich wisten te profileren in Nederland.

Nu met het finale nummer van Raster het moment is aangebroken om terug te blikken, en het lees- en schrijfparcours van Raster kan worden beschouwd (met inbegrip van de resem ressentimenten maar ook van de poëticaal verwante ‘extramurale’ projecten die de reeks in ruim drie decennia wist te genereren), kan duidelijk worden gemaakt welke rol Raster speelde in de discussie tussen diametraal tegenovergestelde literatuuropvattingen. Naast Raster zijn in het Nederlandse taalgebied, met name in het literaire veld van de jaren zestig en zeventig, nog tijdschriften die in het begrippenarsenaal van de literaire kritiek geijkte termen hebben opgeleverd: naast het Revisorproza (genoemd naar het periodiek De Revisor dat in 1974 is opgericht en met literair academisme, subjectieve verbeeldingskracht en vormelijke preoccupatie wordt geassocieerd) is ook sprake van parlandistische en neoromantische Tiradepoëzie. En net als Revisorproza en Tiradepoëzie wekt de term Rasterliteratuur alleen de schijn van een monolithische (of zelfs een combattief ingezette) poëtica, zodat de term als een per definitie vooringenomen strategie kan worden gelezen, maar in alle andere gevallen als een reductie van de veelheid. vanzelfsprekend geen homogene lading.

Ezra Pound

Ezra Pound

Literaire werkplaatsteksten en poëticale opvattingen van redacteuren en medewerkers vielen niet consequent samen met de ‘logopoeia’ die Ten Berge in 1967 in de lijn van Ezra Pounds modernistische lange gedicht Cantos had gepromoot. In 1970 heeft Ten Berge een Nederlandse vertaling van Pounds gefragmenteerd gedicht verzorgd. Namen noemen is voor auteurs een middel tot zelfprofilering en tot legitimering van de literaire productie. De expliciete referentie aan de Amerikaanse dichter Pound, wiens incomplete Cantos (1915-1962) inderdaad doorwerken in Ten Berges poëzie (zoals in Texaanse Elegieën, 1983), is door de zogeheten Rasterauteurs niet eensgezind als toetssteen beschouwd. Vergelijk de contemporaine literatuur van Ten Berge met die van J?F. Vogelaar en Lidy van Marissing, toch allen schrijvers die doorgaans met Raster worden gelieerd.

Niet alle bijdragen in de 124 Rasterpublicaties zijn overigens exponenten van een literair constructivisme (met het artefact als een talige constructie) en met het intellect als katalysator. Onderzoek naar het Revisorproza (in het bijzonder het scheppende proza van schrijvers die als redacteur of als medewerker hebben gepubliceerd in De Revisor) heeft bijvoorbeeld uitgewezen dat er allerminst sprake kan zijn van een welomschreven, laat staan een strikt afbakende of een eenduidig programmatische literatuuropvatting. Aan de basis van dit blad ligt geen geprononceerde (of expliciete) poëtica, en wellicht kunnen we dezelfde bevindingen uitbreiden naar de literatuurproductie die in (en in de marge van) Raster en Tirade een eigen forum kreeg. Met dit verschil dat Raster van meet af aan wel een programma verkondigde. Het onderzoek naar de veelkantigheid van de Rasterliteratuur moet nog een aanvang nemen.

Een van de belangwekkende discussiepunten die door Raster op de literaire agenda is geplaatst, heeft betrekking op (de begrenzing van) de autonomistische poëtica. Het blad heeft positie ingenomen in het literaire debat van de jaren zeventig. Onder impuls van onder anderen Ten Berge, die tot 1979 een leidinggevende functie in de redactie vervulde, bood Raster een groep ‘neo-experimentelen’ de gelegenheid teksten voor het voetlicht te brengen die in reguliere productie-, consumptie- en distributiekanalen van de literatuur geen schijn van kans maakten. De zogeheten ‘neo-experimentele’ auteurs sloten aan bij internationale artistieke avant-gardeopvattingen. Wat dit precies inhoudt, zou het voorwerp van onderzoek kunnen zijn. In ‘Wat wil Raster?’ is sprake van ‘geavanceerd werk uit binnen- en buitenland’ en ‘werk dat afwijkt van gangbare of voorspelbare procédé’s en dat een minder gebruikelijke verschijningsvorm heeft’. Uit de eigen literaire teksten en het metaliteraire discours dat zij in essays en pamflettair proza voerden blijkt de vertrouwdheid van de brede schare aan Rasterproducenten met actuele ontwikkelingen in de literatuurtheorie (vanaf 1977 tot 2008 is sprake van in totaal dertien redactieleden en in Raster 125 figureren achtenzestig medewerkers met een bijdrage). Daarnaast wilden zij zich niet laten opsluiten in een besloten niche van het culturele leven. Raster zocht doelgericht liaisons met andere kunstdisciplines. Vandaag spreken we over dergelijke kruisverbindingen als cross-overs en multidisciplinaire uitdrukkingsvorm.

Wat de Raster-redacteuren en poëticaal verwante auteurs met elkaar verbond, was globaal gesproken een verzet tegen kunst met een referentieel karakter. Literatuur was, in de gebruikte formulering, de werkplaats voor vormexperimenten en voor tal van reflecties over de grenzen van kunst. Literatuur is een plek voor onderzoek, naar het taalmateriaal zelf, maar eveneens naar de tekstgenese. Poëzie, bijvoorbeeld, werd door taalgerichte (of autonomistisch georiënteerde) auteurs als Ten Berge zelf, maar ook door dichters als Rein Bloem en Hans Faverey, beschouwd als een epistemologisch proces. Het experiment betreft de kenbaarheid van de werkelijkheid in en door het woord. Het onderzoek naar essenties van de talige uitdrukkingsvorm, naar de relaties tussen taal en werkelijkheid, is een van de ankerpunten van het literaire experiment dat in Raster een centrale plaats kreeg. Niet alleen de epistemologie van de moderne poëzie, ook de dialoog met andere literaire teksten, met mythologie en antropologie (zoals in de poëzie van Jacques Hamelink), genoot de aandacht van de avontuurrijke werkomgeving. Het metatalige gedicht, of misschien nog beter de metatekstuele en intertekstuele  poëzie, heeft dankzij Raster in Nederland een vrijplaats gekregen. Rasterpoëzie, met de betekenis van een specifiek type poëzie dat alleen in het periodiek een eigen stek kreeg, heeft als dusdanig natuurlijk niet bestaan. De autonomistische poëzie in Nederland heeft zich sinds de jaren zeventig, en uiteraard daarvoor ook al, in allerlei gedaanten en tendensen ontwikkeld. Vooral en zelfs bij uitnemendheid buiten de grenzen van de werkplaats. Dat in Raster anti-mimetische opvattingen een forum kregen, in alle verscheidenheid en niet steeds correlerend met de expliciete poëticale intentieverklaringen in het blad zelf, is duidelijk. Maar of de term Rasterliteratuur de veelzijdigheid van die lading kan dekken, is niet alleen twijfelachtig. De terminologie pleegt roofbouw op alle schakeringen die tot dezelfde tendens kunnen worden gerekend. Het dichtwerk van Gerrit Kouwenaar en Hans Faverey heeft wat dat betreft meer gegenereerd in het literaire veld (in Nederland en Vlaanderen) dan wat in strikte zin vandaag in literaire overzichten Rasterpoëzie wordt genoemd. De verdienste van het blad is dat het een discussie heeft op gang gebracht die de Nederlandse poëzie vanaf de jaren zeventig nieuwe impulsen heeft bezorgd.

Met het verdwijnen van Raster, door toedoen van de zetelende redactie zelf, is het tijdschriftenlandschap in Nederland verschraald. Ik weet niet of de mogelijkheden van de werkplaats hiermee uitgeput zijn, na 125 thematische afleveringen en een reeks boeken buiten de reeks. De redactie heeft de eer aan zichzelf gehouden. Raster heeft een rol van aanzienlijke betekenis gespeeld in de ontwikkelingen van de literatuur in Nederland (en ook in Vlaanderen) van de afgelopen decennia. Welke die betekenis is, ter aanvulling van de auteursintentionele ‘vingerwijzingen voor een geschiedenis’, kan het voorwerp zijn van een poëticaal, een institutioneel en een discursief onderzoek. Alles ineen: met een dergelijk methodologisch breed verankerd tijdschriftenonderzoek zou Raster definitief op de kaart kunnen worden gezet.

FIN

FIN

 

‘Het Einde’, Raster 123/124. De Bezige Bij, Amsterdam 2008.

‘Index’, Raster 125. De Bezige Bij, Amsterdam 2009.

Voor een terugblik op Raster. tijdschrift in boekvorm, zie Sven Vitse, ‘”Wie wil moet zelf maar een tijdschrift oprichten”. Het einde van “Raster”‘, in Ons Erfdeel 52 (2009) 3 (augustus), p.178-179.

Bookmark and Share

Comments are closed.