Jan Pollet. ‘Vader at patrijzen en Moeder was er niet’.

Van Rompuy

Van Rompuy

De Belgische premier Herman Van Rompuy wist de internationale pers te halen met … een haiku. Al sinds jaar en dag is de leider van dit land een verwoed beoefenaar van deze Japanse miniatuurversvorm. Op zijn persoonlijke door poëzie geïnspireerde blog, die trouwens luistert naar de naam Haiku, publiceert hij met de regelmaat van de klok een versje. Dat zijn geliefkoosde hobby hem ooit zou katapulteren tot topfavoriet als eerste president van de Europese Unie had de Belgische premier wellicht nooit gedacht. Tijdens een persconferentie wist hij de internationale pers voor zich te winnen toen hij volkomen onverwacht een zelfgeschreven haiku voordroeg.  Sindsdien wordt  Herman Van Rompuy met grote zekerheid getipt als de eerste topman van de Europese Unie. Zowel Nederlandse als Engelse journalisten schrijven  zijn succes toe aan deze haiku:

 

Drie golven rollen
Samen de haven binnen
Het trio is thuis

Van Rompuy is niet de enige staatsman die zich met de dichtkunst inliet. Een kort overzicht vind je hier.

Damiaan

Damiaan

België haalde trouwens nog eens het wereldnieuws met de heligverklaring van pater Damiaan. Deze missionaris uit het Vlaamse dorpje Tremelo wijdde zijn leven aan het verzorgen van de verbannen lepralijders op het eiland Molokai. Damiaans lot was tragisch: lepra zou ook zijn deel worden. Op 49-jarige leeftijd overleed hij. Damiaan inspireerde Contrabascollega Chrétien Breukers tot een oproep aan de Nederlandse en Vlaamse dichters om een gedicht te schrijven over Damiaan “die het heus niet gemakkelijk heeft gehad, en daarin dus toch wel een beetje op de gemiddelde dichter leek…”  Er kwamen vele en mooie inzendingen binnen.

Veel, heel veel inzendingen ook voor de Nationale Gedichtenwedstrijd 2009 een iniatief van de Poëzieclub en de Turing Foundation. De organisatoren hadden gerekend op een 25OO inzendingen. Het zijn er meer dan 15000 geworden! De wedstrijd is intussen afgesloten. Zowel amateurs als professionele dichters konden meedingen naar de hoofdprijs van €10.000,-. Eind januari word bekend wie het beste Nederlandstalige gedicht geschreven heeft. Ondertussen weet de jury onder leiding van Poëzieclub-stichter Gerrit Komrij wat gedaan in de komende winteravonden. 

Bosch

Bosch

Actiever dan ooit die Komrij. Al zou je het hem niet aangeven als je hem zo rustig ziet keuvelen tijdens zijn talrijke televisie-optredens. Tussen het wikken en wegen van 15000 gedichten door, liet hij zijn ‘rare stem waar niet onderuit te komen valt’ weerklinken bij de viering van 50 jaar boekhandel De Slegte, declameerde hij zijn gedichten in de muziektheaterproductie De Zeven Zonden van Jeroen Bosch., nam hij een cd-dvd op samen met componist Gauthier, Dansen op spijkers, en dook hij af en toe op in een  tvshow.  

Eind oktober trok een delegatie Vlaamse en Nederlandse dichters naar Berlijn naar aanleiding van het tienjarig bestaan van Lyrikline, een van de beste en meest bezochte internationale poëziewebsites ter wereld. 12 Nederlandstalige dichters werden naar aanleiding van de festiviteiten toegevoegd aan de website en meer dan 150 nieuwe vertalingen van hun gedichten staan nu in een tiental verschillende talen op de website. De namen van de dichters vind je hier

In Vlaanderen namen we afscheid van dichter Bert Decorte, hij werd 94. We namen ook afscheid van Revolver, een gereputeerd literair tijdschrijft dat de administratieve rompslomp niet langer de baas kan. CeLT, de vereniging van de culturele en literaire tijdschriften uit Vlaanderen maakt zich zorgen omdat deze totaal inefficiënte rompslomp het voortbestaan van de tijdschriften onder druk zet. Zij vraagt dan ook met aandrang om ook hier werk te maken van administratieve vereenvoudiging.” Erik Lindner verwijst er ook naar in zijn column over het tijdschrift Armada.

Verkommeren de klassieke papieren literaire tijdschriften, dan valt er toch nieuw leven te bespeuren bij hun digitale broertjes. De geboorte heeft lang op zich laten wachten maar nu is hij er: De Reactor. Deze nieuwe recensiesite onder redactie van Arnoud van Adrichem, Matthijs de Ridder, Patrik Bassant, Piet Joostens en Anneke Jansen wil een tegengewicht bieden voor de impressionistische sterretjeskritiek in kranten en weekbladen. Diepgravende literaire recensies over proza en poëzie zullen wekelijks gratis te lezen zijn op dereactor.orgHier kan u een tv-interview beluisteren met redactielid Patrick Bassant en poëzierecensent Johan Sonnenschein. De beginselverklaring van Bert Bultinck staat hier.

De vorig jaar overleden Hugo Claus werd nu al herdacht met een Clausmarathon. Stefan Hertmans las aan het slot van de voorleesmarathon op 6 oktober 2009 in Passa Porta, een hommage voor bij de uitreiking van de Nobele Prijs van Passa Porta 2009 aan Veerle Claus-De Wit. Hertmans citeerde deze Clausregel die destijds een gat in zijn verbeelding boorde:

Vader at patrijzen en Moeder was er niet‘.

Over Claus gesproken, die is levendiger dan ooit. Luister maar naar deze zeer geslaagde song, die de Vlaamse popgroep Absynthe Minded maakte van het beroemde Claus-gedicht envoi intussen een ware radiohit.

 
(http://www.youtube.com/watch?v=xE5KvIHcCZ8)

Nu Nog

I
Nu nog, aan de galg vandaag, met een vod in de mond,
zij die wakker wordt met gezwollen lippen, ogen toe,
zij was iets dat ik wist en toen verloren heb, en hoe,
maar hoe ben ik haar kwijt, hoe blaft een dronken hond?

II
Nu nog haar gezicht als de maan en haar lijf als de maan
jong, bitter jong, met die borsten en billen en die ribben.
Vroeger had je liefdespijlen, je voelde ze voorwaar,
zij teisterden, dacht je, die blanke volle maan van haar.

III
Nu nog haar afgebeten nagels, haar gekwetste tepels,
haar gladde billen waartussen zij verticaal lachte
en zij die metafysica verachtte zei: ‘Ach, schat,
in elke cel van je zaad zitten God en zijn moeder.’

IV
Nu nog de strepen schrammen vlekken tatoeëringen,
allemaal kwetsuren van liefde onder haar lichte jurk,
en ik vrees dat dit zal blijven duren, dit wrang achterbaks
krabben en klauwen naar haar ondermaatse niemandsland.

VI
Nu nog weet ik hoe moe en melig na het loom vrijen
zij ‘s ochtends bijna schroomvallig haar hoofd vooroverboog,
een eend die over het meer gleed en aan ‘t water nipte
en toen duikelde naar mij en hapte en toen nooit meer.

VII
Nu nog knoop ik haar gitzwarte haren in hanige
kammen en sprieten en stekels en verheerlijk haar als
totem en kruis in mijn huis dat onhandig en haastig
verandert in een tempel voor Minne, de steelse godin.

VIII
Nu nog al die kamers en nachten en roomkleurig naakt
en al die slaap erna en ervoor en de geur van hei.
Hoe ze snurkte toen ik vroeg of ze nu gelukkig was
en hoe ze de peluw aaide plompverloren naast mij.

IX
Nu nog haar ledematen, alle vier bezig, bekaf,
en haar pasgewassen haar over haar warme wangen,
toen greep zij mijn nek met haar enkels, giechelende beul,
onthoofd bood zij mij haar koele glinsterende wonde.

XI
Nu nog, nu ik op het punt sta over te schakelen
naar dat andere leven, leidt ze mij als door zwart water
en loert en loenst naar mij door haar gevaarlijke wimpers
en lacht als ik kletsnat opklim tegen haar gouden berm.

XII
Nu nog is haar hele lijf karmijn en glimt van het zweet
en van babyolie glad zijn haar openingen.
Toch blijft wat ik van haar weet een zonderling gebaar,
iets zonder echo, vol bitterheid, toeval en spijt.

XIII
Nu nog vergeet ik weer de goden en hun ministers,
zij is het die mij versplintert, veroordeelt en vergeet,
zij van alle seizoenen maar vooral van de winter
want zij wordt mooier, kouder naarmate ik verder sterf.

XIV
Nu nog tussen alle vrouwen is er niet een als zij,
niet een waarvan de woeste mond mij zozeer heeft verrast.
Mijn zotte ziel zou over haar vertellen als zij kon
maar mijn ziel werd met al haar hebben en houden verwoest.

XV
Nu nog hoe zij beefde van vermoeidheid en fluisterde:
‘Waarom doe je dit? Ik laat je nooit meer los, mijn koning.’
Er was geen killere vorst dan ik en overmoedig
liet ik haar zien hoe de Koning traande uit zijn éne oog.

XVI
Nu nog als ik durf te denken aan mijn verloren bruid
tril ik op mijn benen als ik denk aan wie haar nu plukt,
mijn wandelende oleander van een bruid die steeds
opnieuw het onkruid dat ik ben uit zijn lusttuin rukt.

XVII
Nu nog terwijl de bijen van de dood om mij zwermen
proef ik de honing van haar buik en hoor ik het gezoem
van haar klaarkomen en staar ik naar de natte roze
blaadjes van haar beweeglijke vleesetende bloem.

XVIII
Nu nog ons breed bed dat ruikt naar haar en haar oksels
ons bleek bed door de vogels van de wereld bescheten.
Op de vogelmarkt zei zij: ‘Die wil ik, die wilde daar,
die almaardoor met zijn bek tikt tegen die tiet van haar.’

XIX
Nu nog. hoe zij zich verweerde en mijn mond weigerde,
en pas toen ik haar vloerde met mijn nagels in haar borst,
lam lag en toen, terwijl ik dronken van haar weelde sliep,
mij weer oppookte als een lang gedoofd gewaande haard.

XX
Nu nog haar beweeglijke borst die in mijn handen lag
en haar lippen dik door de beten van mijn tanden
en haar afgebeten nagels en gekwetste tepels
en hoe zij scheel keek in het wrede licht van de morgen.

XXI
Nu nog verbeeld ik mij dat zij in de smalle tijd
tussen mij en de poolnacht de sterren is geweest,
het gras, de kakkerlakken, de vruchten en de maden
en dat ik dit aanvaardde en dat dit mij nog steeds verblijdt.

XXII
Nu nog, hoe haar beschrijven, met wat haar vergelijken?
Tot in mijn graf zal ik haar ordenen en haar verven
en bederven en haar amechtig weer tot leven blazen
met mijn ergerlijk geklaag, mijn zenuwslopend zeuren.

XXIII
Nu nog haar ogen met de rimmel en de oogschaduw
en de scharlaken lelletjes van haar oren doorboord.
‘Ik heb koorts,’ zei zij, ‘ik kan niet meer, ik vermoord
je, die vingers van jou, niemand anders ooit, nergens, nooit.’

XXIV
Nu nog blijft zij negentien, al drinkt zij; nog zo veel,
en hebben te veel tranen rimpels over haar wangen
getrokken, oorlogsbeschildering en camouflage,
de schimmel en de diepvries van haar leven zonder mij.

XXV
Nu nog als ik haar terug zou vinden als een sprookje
van de maan na de regen en ik lik weer haar tenen,
weer op de been met mijn hart van steen dan vrees ik wordt er
weer een griezelig week lied gewekt als van Cole Porter.

XXVI
Nu nog, zij; meer dan het water in haar wonderlijk lijf
een zoutmeer waarop een eend zou drijven en beklijven
en die eend met een pik was ik – hoor me kwaken! – en zij
meer zijnde wiegde mij op de baren of deed alsof.

XXVII
Nu nog als ik haar terug zou zien met die bijziende blik
van haar, zwaarder in de heupen en voller in de kont,
ik zou haar, geloof ik, weer omhelzen, weer van haar drinken,
een hommel was niet drukker bezig blijer leniger.

XXVIII
Nu nog terwijl ik in haar verstrengeld en geknoopt zit
is de Verwoester bezig en verschroeit Hij de mensen.
Mensen van enige standing zijn hun weg verloren
als na een gevecht zonder wapens en zonder winnaars.

XXIX
Nu nog in haar boeien geklonken en met de bloedneus
van minnaars zeg ik, van haar bloeiende lente vervuld:
‘Dood, folter niet langer de aarde, wacht niet, lieve dood,
tot ik klaargekomen ben, maar doe zoals zij en sla toe!’

 

Hugo Claus


Jan Pollet
http://jjpollet.wordpress.com/
http://www.decontrabas.com/

Bookmark and Share

Comments are closed.