Alfred Schaffer – vertaling in Afrikaans

Alfred Schaffer – vertaal deur Charl-Pierre Naudé

[ http://versindaba.co.za/2009/09/23/alfred-schaffer-as-voorbeeld-van-die-hermetiese-poesie/ ]

 

 

Impasse

 

Vertier in wissewasjes zoeken, zo blijft een mens overeind.

Toonladders oefenen. Eindeloos van iemand houden. Maar,

wat een afknapper is de mens, dweepziek, een slaaf van zijn

agenda, en zint hem iets niet, dan verbreekt hij de verbinding.

 

Je ruikt hoe ik bederf, ook al ben ik er niet, je ligt, zo stel ik

me voor, verrukt te staren naar een monitor, naar de eerste

bewijzen van leven op Mars, daar beweegt iets onschuldigs,

iets wat kans van slagen heeft, en zonder je blik af te wenden

 

grijp je mijn hand – die er niet is, druk doende dit alles alvast

neer te krabbelen, ergens waar ik pelgrimstochten onderneem

naar hooggelegen gebouwen, ver voor Christus opgeleverd.

 

Mijn sleepdraad is geknapt, ik krijg me niet aan land gehesen.

Als straks het stadsgeluid bezinkt, zou ik met deze nachtkijker

meer moeten zien. Voor alle zekerheid. Maar meer is er niet.

 

 

Impasse

 

Deur vermaak in beuselagtigheid te vind, so bly mens staande.

Toonlere oefen. Eindeloos iemand liefhê.  Maar wat ’n

teleurstelling is die mens, dweepsiek, ’n slaaf van sy

agendas, en kry hy nie sy sin nie verbreek hy verbindings.  

 

Jy ruik hoe ek vrot, al is ek nie naby nie, jy sit, so reken ek,

in vervoering na ’n monitor en staar, na die eerste

bewyse van lewe op Mars, daar beweeg iets onskuldigs,

iets met ’n oorlewingskans, en sonder om weg te kyk

 

gryp jy my hand – wat nie daar is nie, wat besig is

met notas, êrens waar ek pelgrimstogte onderneem

na hoogliggende bousels, lank voor Christus opgelewer.

 

My sleeptou is geknip, ek kry myself nie aan land getrek nie.

Straks as die stadsrumoer bedaar sou ek met die nagteleskoop

meer kon sien. Net seker maak. Maar meer is daar nie.  

 

Waarom ben ik niet verdrietig

 

Ik was je even kwijt en rustte niet, onbekwaam tot enig goed geneigd.

Casino’s en ravijnen, bordelen en woestijnen.

En voetsporen, sporen uitgewist.

 

Vreemd, dat je lichaam dagen kon verdwijnen zonder deining,

dat mijn leven nooit van jou zou kunnen zijn, noch van de wetenschap,

terwijl we toch precies dezelfde kant op kijken,

ieder met een hand boven de ogen tegen de laaghangende zon,

ieder in zijn eigen zomeravond,

 

een als deze, waarin je met gemak zou kunnen wederkeren,

de straten in het centrum zijn de hele dag al natgehouden,

het is bijna tijd aan deze kant van moeder aarde

om de witte schittering op de rivier als een symbool te presenteren

 

en er is kermis, als in een wonder, lichtjes,

schel geschetter, het reuzenrad staat pal naast het station geplant,

een mooi gezicht nu ook de schemering ten einde loopt – je zou het moeten zien,

een troost in je dagen.

 

Wat geurloos was in de verbeelding, zonder vorm en zonder zwaarte,

is in de werkelijkheid verzonnen.

 

Kun je mij vinden, alsjeblieft, ik heb me niet verstopt,

in de schiettent heb ik een fluwelen teddybeer voor je gewonnen,

 

je kunt niet ver meer zijn, ik voel het gewoon,

als je me staande houdt,

als passant, niet als medeplichtige,

dan zal ik je herkennen. En je niet bevatten.

 

 

Waarom verknies ek my nie

 

Ek was jou kwyt vir ’n ruk, rus nie, en “doen nie die goeie wat ek wil nie”. *

Dobbelhuise en ravyne, hoerhuise en woestyne.

En voetspore, spore uitgewis.  

 

Vreemd, dat jou liggaam so oordag kon verdwyn sonder ’n rimpeling,

dat my lewe nooit van joune nog van die wetenskap sou kon wees nie,

terwyl ons teen presies dieselfde skuinste op kyk,

elk met ’n hand bo die oë teen die laaghangende son

elk in sy eie someraand,

 

een soos hierdie, waarin jy doodluiters sou kon terugkeer,

die strate in die stadskern word heeldag al natgehou,

dis byna tyd aan dié kant van moeder aarde

om die wit skittering op die rivier as ’n simbool voor te stel,

 

en daar is die kermis, wonderbaarlik, die liggies,

skel gesketter, die kermiswiel staan pal langs die stasie opgerig,

’n mooi toneel noudat die skemering ten einde loop – wens jy kon dit sien,

’n vertroosting in jou dae.

 

Wat onprikkelend vir die verbeelding was, sonder vorm of swaarwigtigheid,

is in werklikheid versin gewees.

 

Kan jy my vind, asseblief, ek het nie weggekruip nie,

in die tombolatent het ek ’n teddiebeer van fluweel vir jou losgeskiet,

 

jy kan nie meer ver wees nie, ek voel dit gewoon aan,

as jy my staande hou,

as verbyganger, nie as betrokkene nie,

sal ek jou herken. Maar nie begryp nie.

 

 

* Die Nederlands is ’n toespeling op Romeine 7:17 -15 in die Bybel. Ek voeg aanhalingstekens in om dit te suggereer.

 

 

Exit muze

 

Staat je prima, dat legergroen. Kleurt vast geweldig bij je

exercities in het regenwoud. Die hitte, die verbetenheid.

Van her en der ben je gekomen, ingevroren en ontdooid,

negen keer over de kop, toen van het balkon gedonderd.

 

Lees maar iets voor, dan voer ik de vissen wat goudstof.

Mijn wonderkind. Eindproduct van breedvoerige zinnen.

Een orakel, tuk op moraal. In je kale atelier dat uitziet op

het zuiden staat een asbak die kan hoesten, versuft val je

 

in slaap voor de tv, elke nacht speelt een dankbaar orkest

naast je bed. Toch lijk je wat nerveus. Is het mijn litteken?

Het kan geen toeval zijn dat ik je aantrof in het warenhuis,

 

mijn jonge veteraan, graaiend bij de uitverkoop – toen je

bukte, kon ik je bilspleet zien. Of je had geen kleren aan.

Maar hoor ik daar niets ritselen, daar, achter die struiken?

 

 

Exit muse

 

Dit pas jou eersteklas, daai army-groen. Skakeer voorlopig

mooi in by jou oefenritueel in die reënwoud. Die hitte, die verbetenheid.

Van heinde en ver gekom is jy, bevrore en toe ontdooi,

nege keer bollemakiesie, toe van die balkon af gedonder.

 

Lees maar ietsie voor, terwyl ek die vissies goudstof voer.

My wonderkind. Eindproduk van wydlopige sinne.

’n Orakel, mal oor moraal. In jou kaal ateljeetjie

wat suid kyk is ’n asbak wat kan hoes, duiselig

 

val jy aan die slaap voor die tv, elke nag speel ’n orkes dankbaar

langs jou bed. Tog lyk jy ’n titsel senuweeagtig? Is dit mý litteken?

Dit kan geen toeval wees dat ek jou in die pakhuis gekry het,

 

my bloedjong veteraan, snuffelend by die uitverkoping – toe jy buk

kon ek jou boudespleet sien. Dalk was jy sonder klere aan.

Maar hoor ek dan niks wat ritsel nie, daar, agter die struike?

Bookmark and Share

Comments are closed.