Luuk Gruwez – vertaling in Afrikaans

Luuk Gruwez – vertaal deur H.P. van Coller

[http://versindaba.co.za/2009/04/01/onderhoud-met-luuk-gruwez/]

 

 

MOEDERS

 

 

Mens herken hul van ver en van vroeër: altyd in rep en roer,

altyd die bekende rumoer. Of ons nie te koud kry nie

miskien, dat ons ons truie toe moet knoop, dat ons

van daardie slegte vriende liewers weg moet bly. Ensovoorts,

 

ensovoorts. Hulle is van oordosisse versigtigheid vervul,

van lewenslange ensovoorts, rare roeringe in buik en boesem.

Opvallende besonderhede, eeueoud van eenvoud: spermavlekke wat hulle

stil, met dromerige oë uit die lakens van hul seuns uitwas,

 

meisies wat hul halsoorkop uit die vroue uit moet vee

wat hulle intussen ook geword het. Dit kan in goeie ma’s

geweldig sneeu, veral wanneer geen mens

dit ooit verwag, begin November, sodra die gestorwenes koning kraai.

 

Hulle gee aan kleuters wolserpe en moffies mee. Piesangs.

lets weerbaars teen trane. En van hul eie ma’s, wat hulle

al hoe meer ontglip, raak hul die laaste moeders. Tot hulle

die hande wantrou wat hul nie langer vas kan hou nie.

 

November word dit nooit nie, November breek aan. Soos aand.

Lug verplaas sy diepste rooi in blare van beuke en eike.

en vanweë alles wat hul nie meer vas kan hou, hou hy op:

hul wêreld van ensovoorts, en so voort tot die dood.

(vertaling: Hennie van Coller)

 

 

 

MOEDERS

 

 

Men herkent ze van ver en van vroeger: altijd in rep en roer,

Altijd dat vertrouwde rumoer. Of wij het niet te koud hebben

misschien, dat onze jas wat hoger moet geknoopt, dat wij

die slechte vrienden beter kunnen mijden. Et cetera,

 

et cetera. Zij zijn van overdosissen voorzichtigheid vervuld,

van levenslang et cetera, stupide stuwingen in buik en boezem.

Fluorescente details, eeuwenoud van eenvoud: spermavlekken die zij

stil, met dromerige ogen uit de lakens van hun zonen wassen,

 

meisjes die zij halsoverkop uit de vrouwen moeten wissen

die zij tussentijds geworden zijn. Het kan in goede moeders

allemachtig sneeuwen, voornamelijk wanneer geen mens

het al verwacht, begin november, zodra de doden victorie kraaien.

 

Zij geven kleuters sjaals en wollen wanten mee. Bananen.

lets dappers tegen tranen. En van hun eigen moeders die hun

meer en meer ontglippen, worden zij de laatste moeders. Tot zij

de handen wantrouwen die hen niet langer vasthouden kunnen.

 

November wordt het niet, november valt. Als avond.

Lucht verplaatst zijn diepste rood in bladeren van beuk en elk.

En wegens alles wat zij niet meer kunnen houden, houdt hij op:

hun wereld vol et cetera, et cetera en totterdood.

 

© Luuk Gruwez

 

 

 

 

DIKKE MENSEN (BG, bl. 90)

 

I

 

Dikke mensen weten alles van de liefde,

tot in de meest verloren uithoek van hun lijf,

de catacomben van hun vlees.

 

Hun buik is buitenland waarin zij wonen,

aldoor verlangend naar de slankste tailles

die hen doen watertanden als gebak.

 

Er is geen mens oprechter droef,

zo goedlachs treurig in die afgelegen balg,

die verre tenen en die bolle billen,

 

alsof zij slechts uit overschot bestaan:

zo ’n kleine honderd kilo niets

die niemand ooit zal willen.

 

II

 

Zij kunnen zich zo dwaas vermaken met hun vlees

dat aast op suikerspin of speculaas,

tot in hun laaste kilo ridicuul

op zoek naar al het zoets der liefde.

 

Hun lichaam is het hunne niet.

Elk klein teveel is groot gemis.

Maar stropen zij het zwoerd af van hun ziel,

zij blijven ingeduffeld in hun vet

 

dat zij nooit ontberen kunnen:

alsof zij slechts van buik en billen

niet al te onbemiddeld zijn

en enkel dat behouden willen.

 

Want ieder afscheid weegt hun zwaar.

Wie staat er klaar met gul applaus

wanneer zij straks in aller ijl

de glijbaan naar het graf afgegaan?

 

(c) Luuk Gruwez 

 

 

 

 

VET MENSE

 

I

 

Vet mense weet alles van die liefde,

tot in die verste uithoeke van hul lede,

die katakombes van hul lyf.

 

Hul buike is die buitepos waarin hul woon,

voortdurend hunkerend na die slanke lyf

waarna hul smag soos na koekstruif.

 

Daar is geen mens só hartlik hartseer nie,

só doodtevrede treurig in die afgeleë pens,

die veraf tone en die bultende boude,

 

asof hul uit oorskot slegs bestaan:

so amper honderd kilo niks

wat niemand ooit wil hê nie.

 

II

 

Hul kan hulself so dwaas vermaak met hulle lywe

wat aas op suikerdons of spekulaas,

tot in hul laaste lawwe kilogram

op soek na soetheid in die liefde.

 

Hul liggaam is hul eie nie.

Elke klein oordaad is groot gemis.

Maar pluk hul ooit die siel se vetlaag af,

hul bly soos in ’n jas gehul in vet

 

wat hulle nooit kan mis nie:

asof hul slegs van boude en buik

nie al te arm is nie

en slegs dít wil gebruik.

 

Want elk afskeid is vir hulle swaar.

Wie staan gereed met gul applous

wanneer hul later in aller yl

met die glybaan na die dood toe pyl?

 

(c) HP van Coller

 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.