Rutger Kopland – vertaling in Afrikaans

Rutger Kopland – vertaal deur Daniel Hugo.

 

 

Uit: Rutger Kopland, Toen ik dit zag, Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2008.

 

Wat is poëzie

 

In de verte groeit het geruis

van een trein

 

stopt zegt ze en

ze zet de recorder uit

 

door de ramen stroomt steeds meer

zwart licht de kamer in

 

is er zoiets als zwart licht

zit ik te denken

 

de trein is voorbij en uit de verte

nadert ons langzaam stilte

 

is er zoiets als een stilte die

kan naderen denk ik

 

nog één vraag zegt ze

en ze start de recorder

 

poëzie wat is dat – eigenlijk

ze beweegt de microfoon naar mijn gezicht

 

ik begin te denken tot ik

aan een schilderij denk van Magritte

 

een wolk in de vorm van een rotsblok

een rotsblok in de vorm van een wolk

 

ze zweven samen boven een landschap

is dit een antwoord vraag ik

 


Wat is poësie

 

In die verte groei die geruis

van ’n trein

 

stop sê sy en

sit die bandmasjien af

 

deur die vensters stroom steeds meer

swart lig die kamer in

 

is daar so-iets soos swart lig

sit ek en dink

 

die trein is verby en uit die verte

kom die stilte stadig nader

 

is daar so-iets soos stilte wat

kan naderkom dink ek

 

nog één vraag sê sy

en sit die bandmasjien aan

 

poësie – wat is dit nou eintlik

sy hou die mikrofoon voor my gesig

 

ek begin dink tot ek

aan ’n skildery dink van Magritte

 

’n wolk in die vorm van ’n rotsblok

’n rotsblok in die vorm van ’n wolk

 

hulle sweef saam bo ’n landskap

is dit ’n antwoord vra ek

 


Park

 

We wandelen tot aan de oever

van een vijver – daar stonden we

te luisteren en te kijken.

 

We hoorden de geluiden van de stad

maar het was alsof we daarachter

een grote stilte hoorden.

 

We keken in het water en zagen

ver voorbij de kruinen van de bomen

de lege hemel in de diepte.

 

We liepen terug en wisten waar

we voor gekomen waren.

 


Park

 

Ons wandel tot aan die rand

van ’n visdam – daar gaan staan ons

om te luister en te kyk.

 

Ons hoor die geluide van die stad

maar dit is asof ons daaragter

’n groot stilte hoor.

 

Ons kyk in die water en sien

ver verby die toppe van die bome

die leë hemel in die diepte.

 

Ons loop terug en weet waarom

ons hierheen gekom het.

 


Toen de nacht

 

Toen het licht van de nacht

duisternis was

 

het licht van de nacht

ons onzichtbaar maakte

en wij alleen nog stemmen waren

op een bank in de tuin

 

toen de nacht ons omgaf

en meenam in de duistere vragen

wanneer en waar en wie

 

toen de nacht een geheim was

dat met de nacht verdween

 


Toe die nag

 

Toe die lig van die nag

duisternis word

 

die lig van die nag

ons onsigbaar maak

en ons nog net stemme is

op ’n bank in die tuin

 

toe die nag ons omgeef

en meevoer in die duister vrae

wanneer en waar en wie

 

toe die nag ’n geheim word

wat met die nag verdwyn

 


Een merel

 

Er is iets aan de zang van een merel

het is voorjaar, je wordt wakker

 

je ligt te denken in de nacht

het raam staat open – er is iets

 

waarvan die vogel zingt

en je denkt aan wat je moet opgeven

 

er is iets in je dat leeg is en het stroomt vol

met het zingen van die merel

 


’n Merel

 

Daar is iets in die lied van ’n merel

dit is lente, jy word wakker

 

jy lê en dink in die nag

die venster staan oop – daar is iets

 

waarvan die voël sing

en jy dink aan wat jy moet opgee

 

daar is iets in jou wat leeg is en dit stroom vol

met die lied van die merel

 


Roeiboot

 

Waarom moet ik blijven kijken

naar die ansichtkaart – een roeiboot

 

hij ligt op de rimpelende spiegel

van een avondhemel

verankerd met een dunne lijn

aan iets in de diepte

 

het is een foto maar je ziet hoe

de boot schommelt en

rukt aan zijn anker

 

zo moet het altijd te zien zijn geweest

een boot wachtend op zijn roeier

 

er is gedacht dat wij ooit zouden worden

gehaald en worden gevaren

naar een verre overkant

 

daarom

 


Roeiboot

 

Waarom hou ek aan kyk

na hierdie poskaart – ’n roeiboot

 

wat lê op die rimpelende spieël

van ’n skemer hemel

geanker met ’n dun tou

aan iets in die diepte

 

dit is ’n foto maar jy sien hoe

die boot skommel en

ruk aan sy anker

 

so moes dit altyd gewees het

’n boot wat wag op sy roeier

 

daar is al beweer dat ons eendag

gehaal en oorgeroei sal word

na ’n verre oewer

 

daarom

 

 

(Uit: Rutger Kopland, Toen ik dit zag, Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2008. Vert. deur Daniel Hugo)

 

Bookmark and Share

Comments are closed.