Yves T’Sjoen. Lees maar, er staat meer dan de tekst (1)

Arjen Duinker - Buurtkinderen

Arjen Duinker - Buurtkinderen

Arjen Duinker, Frans Budé en andere dichters verkiezen boven een achterplattekst een gedicht. Van anderen, zoals Herman de Coninck en Paul Snoek, weten we dat zij de zogeheten flapteksten van hun bundels zelf schreven. Nochtans worden die expliciete poëticale teksten niet of alleen een zeldzame keer in het onderzoek naar de poëzie betrokken. Ook van hedendaagse Vlaamse dichters als Paul Bogaert en Peter Holvoet-Hanssen is bekend dat ze de flapteksten voor hun bundels zelf componeren en die teksten laten functioneren als onderdeel van wat doorgaans als ‘de literaire tekst tussen de kaften’ wordt beschouwd. Neem nu Paul Bogaert. In zijn jongste bundel, de Slalom soft (2009), staat op de laatste bladzijde een paginagrote zwart-wit foto van de auteur met als enige onderschrift het adres van Bogaerts homepage www.paulbogaert.be. Op de site van de auteur kun je de Slalom soft aanklikken en daar weer, naast recente besprekingen in periodieken en op poëzieweblogs, colofon en achterplattekst lezen. Daarnaar gevraagd stelt Bogaert dat ‘de flaptekst te belangrijk [is] om er mij als auteur niet mee te bemoeien’. Dat deze dichter zich terdege bewust is van de beeldbepalende functie van informatie in de flaptekst, of beter gezegd van een geëxpliciteerde poëticale visie, en daar voor zijn eigen boekpublicaties strategisch gebruik van maakt, wijst diens eindverhandeling aan de K.U. Leuven over Pornschlegel en andere gedichten (1988) van Dirk van Bastelaere uit. In een mail schreef hij me onlangs:

Paul Bogaert - de slalom soft

Paul Bogaert - de slalom soft

‘Mijn thesis ging over vier gedichten uit Pornschlegel. Ook daarin […] heb ik een hoofdstuk lang het belang van de flaptekst belicht / onderkend. De flaptekst is in die bundel heel bijzonder, het verbindt de rif-metaforiek expliciet met (het schrijven van) gedichten, in de gedichten zelf (ATOL) is dat veel implicieter (daar komt als ik mij niet vergis het woord ‘gedicht’ niet in voor). Maar zodra je de flaptekst hebt gelezen is die even ‘gewichtig’ voor de interpretatie als wat er in het gedicht zelf staat, je kunt er niet niet meer aan denken, je kunt de gedichten niet meer lezen zonder de kennis van de flaptekst.’

 

Bogaert sluit zijn bericht af met de veelzeggende opmerking: ‘De flaptekst geeft houvast en stuurt, opent en beperkt [omdat de] flaptekst gedeeld wordt met élke lezer.’ Overigens, niet alleen  Paul Bogaerts flapteksten, ook zijn eigen webstek omvat wel meer gegevens die we als ‘paratekst’ kunnen omschrijven.

Tonnus Oosterhoff - Hersenmutor

Tonnus Oosterhoff - Hersenmutor

 

 

 

 

 

 

 

 

Paratekstueel onderzoek is in de Nederlandse literatuurstudie alleen een zeldzame keer ondernomen. Nochtans bevat een gedrukte literaire tekst, in de terminologie van Gérard Genette in Palimpsestes (1968) en in Paratexts: Thresholds of Interpretation (1997), voldoende ‘peritekstuele’ elementen die een particulier referentiekader aanreiken voor een betekenisgeving van de tekst. Enkele voorbeelden kunnen het belang van peritekstuele informatie (of data)  voor het letterkundig onderzoek onderstrepen. De debuutbundel Maagendenburgse halve bollen en andere gedichten (1968) van Gerrit Komrij is voorzien van een motto ontleend aan een gedicht van de vroeg negentiende-eeuwse dichter A.C.W. Staring (1767-1840): ‘Weêrgalmt mijn Lier, zij leent heur snaren/Tot geen vermeetlen kamp!/Als Phebus opsteeg uit de baren,/Doofde Epicteet zijn lamp’. In de receptie van Komrij’s poëzie waren het citaat van Staring, maar ook expliciete referenties aan de dominee-dichter Piet Paaltjens, de aanleiding om de jonge dichter Komrij te catalogeren als een ‘zwart-romanticus’ die over Forum en de Vijftigers heen aansluiting zocht bij de negentiende-eeuwse romantische poëzie.

 

 

Komrij - Maagdenburgse halve bollen

Komrij - Maagdenburgse halve bollen

Het motto misleidde toen menig criticus zodat lange tijd de ambivalente poëticale positie van Komrij, met toch wel de nadruk op het gedicht als maakwerk, is miskend. Schrijvers wijzigen ook wel eens de titel van hun literaire werk bij een herdruk. Marcellus Emants’ novellenbundel Dood is voor de heruitgave van 1916 Afgestorven getiteld, en de titel van Hendrik Consciences historische roman In ’t Wonderjaer is in 1843, na een ingrijpende tekstredactie die als autocensuur mag gelden, Het Wonderjaer gaan heten. Periteksten, zo lezen we bij in het inventariserende overzicht van Genette (waar de tekstanalyses jammer genoeg ontbreken), zijn niet alleen achterplatteksten, motto’s en titels. De auteursnaam op het boekomslag kan in de drukgeschiedenis van een werk ook wijzigingen ondergaan. De auteur van De Avonden (eerste druk: 1947) was respectievelijk Simon van het Reve, G.K. van het Reve, Gerard Kornelis van het Reve en Gerard Reve. Maar ook boekomslagen, vignetten en tekeningen, lettertypes en typografie, annotaties (zoals bijvoorbeeld in De leeuw van Vlaenderen (1838) van Conscience), colofon, voor- of nawoord, pamfletten voor de boekhandel en intekenstroken, de naam of het imprint van een uitgeverij enzovoort behoren tot de categorie van de peritekst. In mindere of meerdere mate bevatten deze gegevens auteurscommentaar en ze sturen op impliciete of expliciete manier de lezing van de tekst. De annotaties die dichters als Christine D’haen, Paul Claes en Jacob Groot in hun bundels opnemen, kunnen niet uitsluitend worden gelezen als encyclopedische of lexicografische verklaringen, maar vooral als expliciteringen van auteursintenties, een handleiding voor een lezing van de tekst en dus als evenveel pogingen de tekstinterpretatie te controleren.

 

 

 

 

Hendrik Conscience - De leeuw van Vlaenderen

Hendrik Conscience - De leeuw van Vlaenderen

 

De Duitse editiewetenschapper Bodo Plachta benadrukte in ‘Mehr als Buchgestaltung – editorische Anmerkungen zu Ausstattungselementen des Buches’, een belangwekkende theoretische bijdrage voor editio (2007), het jaarboek van de Arbeitsgemeinschaft für Germanistische Edition, dat de tekstediteur naast de tekst bij voorkeur aandacht moet besteden aan de paratekst. De tekst wordt nooit ‘naakt’ tussen twee kaften gepresenteerd. Alle indicaties die de auteur, het genre of de titel betreffen, van auteursportretten op de achterflap tot de gebruikte foto’s of ontwerpen voor het omslag, zijn semantische componenten die onze lectuur van teksten mee begeleiden. Zo heet het afsluitende deel van Willy Roggemans tachtigdelige Post Opera Supplementa, Cadenas (2008), op de titelpagina ‘Een gedicht’. Die genreaanduiding richt de lezersblik en in plaats van een artefact bestaande uit dertig gedichten van tien regels wordt de tekst beschouwd als een geheel van driehonderd versregels. Ook Paul Bogaerts de Slalom soft is op de titelpagina aangeduid als ‘gedicht’ en niet als een bundel met ‘gedichten’. Plachta noemt deze appendices specifieke en niet te veronachtzamen vormen van auteurscommentaar die onmiskenbaar inwerken op de receptie van de tekst en de leesverwachtingen sturen. Het boek is een artefact. Teksteditorisch en letterkundig onderzoek laten zich te weinig in met deze vormen van auteurscommentaar.

 

 

 

 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.