Luuk Gruwez. Ik zal alles, alles missen
DE SIRENE
In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken.
IK ZAL ALLES, ALLES MISSEN
Vroman is een dichter die zich net als Lucebert (‘Dit was ik. En dat was het heelal.’) heel erg bewust is van zijn nietige plek in de kosmos, maar die daar niet te erg onder gebukt gaat. Hij wapent zich met speelsheid en met het koele registratievermogen van de hematoloog die hij van opleiding is. Zijn vorige bundel heette: ‘Nee, nog niet dood’. De titel van zijn nieuwste, ‘Soms is alles eeuwig’, illustreert opnieuw die voor een vierennegentigjarige uiterst ludieke omgang met iets wat nu toch echt geen eeuwigheid meer uitgesteld kan worden. Het mag een atletische prestatie heten dat de dichter ons vrij kort na zijn vorige bundel opnieuw een indrukwekkende collectie van meer dan tachtig gedichten brengt.
De ludofilie van deze dichter wordt hierin automatisch gelieerd aan de experimenteerzucht van de wetenschapper. Hij ziet de kosmos in hoge mate als Systeem (’s dichters laïcistische woord voor God). Dit gebeurt onder meer exhaustief in het lange Engelse gedicht dat ‘This time’ heet. Er zijn zat veel dichters die het over de vergankelijkheid hebben. Het unieke aan Vroman is dat deze hem niet alleen licht melancholisch stemt, maar dat hij haar vooral heel precies constateert. Dat hij geen dichter voor de eeuwigheid is, beseft hij maar al te goed. Er heerst een spanning tussen wat al ‘miljoenen jaren voorbij’ is en dit opdringerige besef: ‘Wat ik een halve eeuw geleden/ om I reden heb geschreven/ zal mij om een andere reden/ nog een of twee, weet ik hoeveel/ jaren kunnen overleven.’ Maar wat er ook van zij: een dichter is iemand die geen verstand heeft van afscheid nemen en dit toch voortdurend doet. Verzen uit het slotgedicht:
‘Ik zal alles, alles missen:
een echte appel mogen eten,
echt iets drinken, en bij mijn weten
echte urine mogen pissen.’
De vraag die met dit besef samengaat luidt: ‘(…) hoe dood wordt men later?’ Er zitten in het achterhoofd van de bioloog Vroman hier en daar referenties aan de stabiliteit van de materie.
Naast een temporele zit er een grafische spanning in deze bundel: die tussen de Nederlandse geboortegrond die hij verlaten heeft en Texas, het land waarnaar hij geëmigreerd is. ‘Of ik Holland niet mis?’ heet het ergens. Het antwoord luidt: ‘Nee, maar ik wil wel weten/ wat voor temperatuur het nu is (…).’ Ook in dit gedicht gaat het over afscheid, maar het is er een waarvoor de dichter gekozen heeft. Wanneer je vierennegentig bent, dan mag je je gelukkig prijzen dat je nog over een gezondheid beschikt die herinnering toestaat. Hoeveel geheugen gaat er in één man? Vroman, met zijn ongelofelijke vermogen tot serene overweging, kan zijn herinneringen blijkbaar fenomenaal precies oproepen. (Al kan het natuurlijk dat hij een en ander verzint: hij is tenslotte een dichter.) In het licht hiervan rijst de vraag wat werkelijk is en wat niet. Hij hoopt dat hij zich met betrekking tot de realiteit levenslang heeft vergist en ‘dat de dingen die werkelijk leken/ dat werkelijk niet waren.’ Hij hoopt ooit met een alziend oog en met een alternatief bewustzijn d’outre tombe de werkelijkheid te kunnen ontmaskeren, alsof hij de kans niet uitgesloten acht dat het bewustzijn door de dood niet wordt uitgeschakeld en alsof iets als het einde niet echt bestaat. Wel vaker twijfelt Vroman er in zijn gedichten aan of het bestaande echt is. Zo ook in het lange twaalfdelige ‘This time’, een Engelstalig gedicht met een zeker T.S. Eliot-gehalte en met onder meer deze vraag: ‘Can it then be (…) that space and time do not exist?’ Natuurlijk heeft een hypothese als deze zo zijn emotionele voordelen voor wie allicht toch op de drempel van de dood staat. Vroman probeert de heersende kracht in de kosmos mededogen voor onze onbeduidende planeet af te smeken: ‘System, do not laugh at little Earth.’ De Engelstalige gedichten in de bundel zijn vanwege hun meer uitgesproken filosofische aard overigens anders van toon dan de Nederlandstalige. Toch weigert Vroman de alleenheerschappij van de gedachte: ‘Waarom moet iets altijd/ ergens over gaan?’
Soms gaat het inderdaad nergens over. Deze poëzie tendeert een paar keer naar gerijmel en ook wel eens naar het light verse. Het lieftallige en het schattebouterige is er soms wat te veel aan. Maar het verschil tussen hem en echte light verse dichters is dat hij naar een andere balans streeft: er zit meer zwaarte in zijn lichtheid, meer ernst in zijn jolijt en zijn gein, meer zwart in zijn frivoliteit. Als hoogbejaarde kan hij het zich bovendien zonder schaamlap permitteren nostalgisch te zijn: ‘Graag zie ik na de dood mijn geest/ door het gesloten venster zweven/ en dalen waar ik in mijn leven/ gelukkig ben geweest.’ Toch wel een redelijk clichématige mededeling, dunkt mij, waarvoor wie een halve eeuw jonger is zich genoodzaakt zou zien een justificatie te formuleren. Vanwege de terreur van het heden is heimwee als je twintig, dertig of zelfs zestig bent een omstreden gevoel. Maar één keer vierennegentig, is er op het vlak van de emotionaliteit misschien niet veel anders meer over. Of het zou de liefde moeten zijn. In het geval van deze dichter: die voor Tineke, van oudsher zijn vrouw, en een van de weinige bewijzen in de hedendaagse Nederlandse literatuur dat langetermijnliefde bestaat. Voor haar heeft hij onder meer een hypothetisch klinkend gedicht klaar dat treffend ‘Als het waar is’ heet. Het is een van de krachtigste uit de bundel en het is bedoeld voor wanneer hij er straks niet meer is en zij nog wel.
Vroman is zich heel sterk bewust van het feit dat ook de mens een diersoort is, bijvoorbeeld in ‘Mijn dierenleven’. Hoe dan ook is hij meer dan ooit en met de hem zo kenmerkende zelfspot met zijn lichaam begaan. Hij stelt vast dat de wetenschap het de dag van vandaag mogelijk maakt ‘voor verdere studie of voor de grap/ verzorgde stukjes in leven (te laten) blijven’ en zich afvragend welk van zijn uitstekende lichaamsdelen daarvoor het meest in aanmerking dient genomen, komt hij uit bij zijn neus.
Wat er nu nog is en wat daar na de dood nog van overblijft: daar gaat het om in deze bundel. De hoop op onsterfelijkheid, in welk vorm dan ook, wordt gerelativeerd met een aansporing tot bescheidenheid:
‘Wie sterft na meer dan negentig jaar
daar hoeft ook niemand om te grienen;
die mag hoogstens hier of daar
een aardig stukje krant verdienen.’
Niemand zal er rouwig om zijn wanneer dit in het geval van Vroman een ietsje meer is.
__________________________
LEO VROMAN
Soms is alles eeuwig
Querido, 150 blz., 17,95 euro.
Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren, de boekenbijlage van de Belgische krant De Standaard.





“Laat ons tog asseblief nie uit politieke korrektheid altyd verswyg dat Afrikaans se penwortel Nederlands is en dat Nederlands, in die woorde van Van Wyk Louw, “ons venster op Europa” is nie. Ons strewe na internasionale prominensie word ook deur hierdie dimensie van Afrikaans verbreed.”
Hierdie opmerking van prof. Lina Spies in haar brief op LitNet vind pragtige vergestalting in hierdie nuwe inisiatief. Ons kan nie wag om ook deur hierdie venster noordwaarts te kan kyk nie … Welkom, Luuk, en al julle ander “kaartspelers”.