Edwin Fagel. Boos

Op de dag dat ik toezegde aan dit blog mee te werken maakte ik kennis met het werk van Ronelda Kamfer. Dat was tijdens Winternachten in Den Haag. Ze las voor uit haar bundel Noudat slapende honde en haar voordracht maakte grote indruk. Omdat het – bij alle gelaagdheid - zulke boze gedichten zijn.

Daar is sekere dinge

Daar is sekere dinge

wat ’n mens kan vergewe en vergeet

dan is daar sekere dinge

wat jy altyd moet haat en onthou

ek dra swaar aan my ma

sy’s die een wat my nie gekies het nie

sy’t gesê dis fine

en as jy ’n dochter is en jou ma glo jou nie

kan die Here afkom aarde toe

en vir jou ’n kroon op jou kop sit

dit sal fokkol beteken nie

jy is die dogter

en jou ma glo jou nie

 

Noudat slapende honde

 Boosheid is, vind ik, in poëtisch opzicht erg mooi. De schrik van het moment waarop je merkt dat de ander boos is, de terugwerkende kracht waarmee alles wat je zei tot de ander boos werd in een ander daglicht komt te staan. Je merkt het aan de stemverheffing, maar vooral aan wat hij of zij zegt, en hoe degene die boos is zijn of haar zinnen maakt. Ik heb vaak geprobeerd echt verschrikkelijk boze regels te schrijven, want ik zou die schrik ook bij de lezer teweeg willen brengen. Maar tevergeefs.

 

Nu ben ik met enige regelmaat boos, en er zijn met enige regelmaat mensen boos op mij, maar het blijkt nog niet zo gemakkelijk die boosheid in een gedicht onder te brengen. Want op de momenten dat ik boos word, of iemand boos wordt op mij, schrijf ik geen gedichten. En op de momenten dat ik wél gedichten schrijf, ben ik niet (meer) boos. Ik weet dat die boosheid in dichtregels te reconstrueren moet zijn, maar hoe ik ook probeer, ik eindig altijd met een bedaarde, halfbakken boosheid, aangevuld met een krachtterm om het nog wat te laten lijken. Erg jammer, maar ik zal ermee moeten leren leven. De grondtoon van waaruit ik gedichten schrijf is kennelijk geen boze.

Ik weet niet of de boosheid van Ronelda Kamfer iets te maken heeft met het land Zuid-Afrika. Net zoals ik niet weet of mijn gebrek aan boosheid iets te maken heeft met het land waar ik zelf in woon. Maar de gedachte is verleidelijk. Tijdens hetzelfde uur waarin Kamfer voordroeg, zette Alfred Schaffer, die negen jaar in Kaapstad heeft gewoond, uiteen dat het schrijven van poëzie hem zwaarder valt nu hij weer in Nederland woont. De ‘noodzaak’ poëzie te schrijven was in Zuid-Afrika veel groter, vertelde hij, omdat voortdurend alles gedefinieerd dient te worden: ras, klasse, sekse, taal.

In datzelfde gesprek noemde Hagar Peeters Nederland -in vergelijking met veel andere landen, waaronder Zuid-Afrika- een braaf en keurig aangeharkt hoekje van de wereld. Hoewel iemand uit het publiek op het moment dat ze dat zei ‘Oei, oei!’ begon te roepen (ten teken dat hij het er niet mee eens was), zit er natuurlijk wel een kern van waarheid in die opmerking. Er zijn politici die ons willen doen geloven dat Nederland een land is met scherpe sociale tegenstellingen. Dat het Nederlandse volk een boos volk is. Dat valt volgens mij wel mee. Boosheid is in Nederland een miezerbuitje. Als de wind verkeerd staat wil dat buitje nog wel eens uitgroeien tot een flinke regenbui. Maar voordat men de paraplu op heeft kunnen steken is die doorgaans alweer voorbij.

 (Edwin Fagel)

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Edwin Fagel. Boos”

  1. [...] die blogkant van sake is daar nuwe inskrywings deur Andries Bezuidenhout, Charl-Pierre Naudé en Edwin Fagel wat sy eerste kaart op die tafel in Wisselkaarten plaas. (Onthou, die biografiese besonderhede van [...]

Los kommentaar