Studiedag Stichten Lezen
Charles Ducal
Inleiding:
Mij is gevraagd om aan u het gedichtendagessay 2010 kort voor te stellen. Het is getiteld: ‘Alle poëzie dateert van vandaag’, naar een versregel van Sybren Polet. Ik ben zowel dichter als leraar Nederlands derde graad ASO en heb beide terreinen in het essay proberen te verwerken. Gezien de beperkte tijd reduceer ik vandaag het essay tot een viervoudige vraagstelling, waarover we straks misschien even van gedachten kunnen wisselen.
Het essay is een pleidooi om poëzie te lezen, hardop en hardop-in-stilte, op zo’n manier dat het de poëzie tot haar recht laat komen. Poëzie wordt weinig gelezen en er ontstaan, bij jongeren en ook veel volwassenen, nogal snel moeilijkheids- of begrijpelijkheidsdrempels, waardoor men afhaakt.
1. Een eerste vraag die ik mij stel is of we, als we jongeren met poëzie confronteren, we hen niet in de eerste plaats moeten leren lezen wat er staat.
DE ONTDEKKER - J.J. Slauerhoff
Hij had het land waarvoor hij scheep ging lief,
Lief, als een vrouw ‘t verborgen komende.
Er diep aan denkend stond hij dromende
Voor op de plecht en als de boeg zich hief
Was ‘t hem te moede of ‘t zich reeds bewoog
Onder de verten, waarin ‘t sluimerde,
Terwijl ‘t schip, door de waterscheiding schuimende,
Op de aanbrekende geboorte toevloog.
Maar toen het lag ontdekt, leek het verraad.
Geen stille onzichtbare streng verbond hen tweeën.
Hij wilde ‘t weer verheimelijken - te laat:
Het lag voor allen bloot. Hem bleef geen raad
Dan voort te varen, doelloos, desolaat
En zonder drift - leeg, over lege zeeën.
Een leerling 5de jaar krijgt dit gedicht, met enige uitleg over de auteur en de nodige woordverklaring, voorgeschoteld met de vraag op te schrijven waar het volgens hem over gaat. Hij schrijft: “Een man wil seks hebben met een vrouw. Hij stelt zich haar geslacht al voor, maar nu is het nog verborgen. De boeg die omhoog gaat is zijn erectie. Dan ligt hij op haar. Door de waterscheiding schuimende dringt zijn lid in haar naar binnen. Als de vrijpartij voorbij is, heeft hij spijt dat hij zich zo heeft laten gaan. Hij kent de vrouw niet eens. Hij zou het graag ongedaan maken, maar dat is natuurlijk onmogelijk. Hij is zijn zaad kwijt, nu voelt hij zich leeg.”
Lees maar, er staat niet wat er staat. Als men het over het wezen van de poëzie heeft, wordt geen versregel zo vaak geciteerd als deze van Martinus Nijhoff. Mijn eerste vraag is of deze opvatting niet vaak leidt tot een soort ‘vrijheid van de verbeelding’ die resulteert in een totaal gebrek aan respect voor wat er werkelijk staat en dus willekeur. Mijn ervaring van leraar leert me dat heel veel jongeren van het idee vertrekken dat dichters nooit schrijven wat ze bedoelen en dat je in een gedicht kan zien wat je zelf wil. Daarom zie ik een poëzieles vaak als een oefening in precies nagaan wat er semantisch en grammaticaal staat en daarvan te vertrekken: lees maar, er staat wat er staat. Alleen dan, en alleen dan, is er ruimte te ontdekken wat er niet staat.
2-3. De tweede en derde vraag die ik mij stel hebben te maken met wat er niet staat. Of wat er staat en zich niet opent voor de lezer. Kortom, met begrijpelijkheid. Jongeren en ook wel veel volwassenen benaderen poëzie met een begrijpelijkheidscriterium dat aansluit bij hun leeservaring in proza. Ze verwachten dat een gedicht ‘duidelijk’ is. Een goed gedicht is natuurlijk heel vaak niet duidelijk, niet begrijpelijk in de strikt prozaïsche zin van het woord.en dat leidt vaak tot irritatie, veroordeling van wat dan gezochtheid, aanstellerij of poets’ poetry wordt genoemd. En omgekeerd zijn veel gedichten die heel erg eenvoudig ogen bij nader inzien complexer en raadselachtiger dan men eerst dacht. Laten we eens twee gedichten bekijken.
zoals je binnenkwam en dag zei,
en uit je kleren en je woorden stapte
(het voorlaatste wat je voor me uit-
deed was het woord ‘lieveling’
en het laatste een glimlach; toen
opende je de haakjes en ik kwam erin
en je sloot ze)
zo ging je ook weer weg, trok
enkele veel te dunne woorden
van afscheid om je heen
en rilde.
Een eenvoudig gedicht van Herman de Coninck, met heldere beeldspraak, dat zegt wat het zegt. Ik en jij, de liefde, de kortstondigheid, het afscheid. En toch staat hier een magisch woord dat het hele tafereeltje onduidelijk, interpreteerbaar, complex maakt: ‘rilde’. Leg maar eens uit wat dat betekent. Je trekt aan een touwtje dat niet eindigt. En door eraan te trekken kleurt het hele tafereeltje ineens anders. Minder onschuldig, minder speels, minder erotisch. Een koude-wind-vlaag over de probleemloze jarenzestigseks. Op dit woord blijft het gedicht openstaan, ook als ik het voor de twintigste keer lees. Dit is een van de voorbeelden die ik in het essay heb gebruikt om de vraag op te werpen of een goed gedicht niet altijd onbegrijpelijk is, ook als het begrijpelijk is.
IX
de spiegel draait haar raad
en het waterzaad paant paant paant
mijn zuster staat op straat
mijn vader knielt ernaast
het water rijst en tast tast tast
een huisdier stoot uit zijn kraan
ik hoor een hond ik hoor een schaap
en hoe het schanjemansschoften aanslaat omslaat aanslaat
geef hen een kans geef hen een bril
een vrije wil of bang
een anker voor de vaart
een nutspatroon voor ‘t pleinveeveer
een woning met de vaart er voor
of gewoon een staarkaak
ze zijn geen vader van de straat
ze zijn geen zuster van de brug
het water zaagt ze in de rug
tot in ‘t schaamschedel naakte merg
en schande terg t hen dat het hent
dat het hent t hent het haant
dat het henthaant
Dit gedicht is van Lucebert en het komt uit De dieren der democratie. Het heeft me veel geleerd en vooral afgeleerd. Ik gaf het jaren geleden aan mijn leerlingen om aan te tonen dat er een grens is, een communicatieve grens en dat over die grens poëzie betekenisloos wordt, een leeg spelletje. Ik zei dus onomwonden: ik vind dit onzin. Het staat vol woorden die niet bestaan, er is aan de opeenvolging van woorden en zinnen geen touw vast te knopen, je hebt de indruk dat er net zo goed wat anders kon staan, het spelletje met de t lijkt wel uit toeval geboren en die kippenren op het einde is ronduit flauw.
Maar het volgende jaar was ik er al zo zeker niet meer van. Ik moest toegeven dat het mij, ondanks alles, intrigeerde. Ik had niet langer de indruk in het ootje te worden genomen of mijn tijd te verliezen door het telkens weer opnieuw te lezen. Ik las bij Gombrich deze prachtige zinnen: “Ik geloof niet dat er verkeerde redenen zijn waarom men van een beeldhouwwerk of schilderij kan houden. Er zijn wel verkeerde redenen om niet van een kunstwerk te houden.” Misschien was het verlangen naar begrijpelijkheid, in de prozaïsche zin van het woord, wel een heel verkeerde reden om niet van dit gedicht te houden.
En nog een jaar later merkte ik een enorm plezier toen ik het voorlas. Ik vond het een zaligheid het in de mond te hebben. Het zong mijn wrevel om de onbegrijpelijkheid gewoon weg. Ik was het geleidelijk gaan ervaren als iets afs, onwrikbaar af, noodzakelijk zo en niet anders. Het was ook niet langer vreemd, het nam bezit van mij, ik betrapte mij erop regels eruit te prevelen aan de kassa in het warenhuis of op de fiets naar school. Kortom, op een heel ander niveau dan de gewone logische begrijpelijkheid ervoer ik dit gedicht als begrijpelijk. Pas toen ik de tirannie van het willen decoderen tot een proza-inhoud had stopgezet, begon ik ineens allerlei verbanden en associaties te zien. De dieren der democratie, de niet-stromenden, zij die willen varen, maar met een anker, die prat gaan op hun bril en vrije wil, maar zich bang vastklampen aan een nutspatroon. En tegelijk het op afstand geduwde water, stijgend en tastend, hen tergend in de rug en ondanks de ontkenning (de schande, het schofterige, het beschamende) hen dwingend te paren, te panen, deze hennen en hanen, deze trouwe hond en dit brave schaap.
Gedichten als dit ontstaan, vermoed ik, zeer spontaan en associatief, enkel in toom gehouden door een feilloos gevoel voor klank en ritme. Geeft men zich over aan die associatieve stroom, dan wordt het onbegrijpelijke begrijpelijk op een a-logisch niveau. In die zin stel ik mijn derde vraag, namelijk of een goed gedicht niet altijd begrijpelijk is, ook als het onbegrijpelijk is.
4. Tot slot. Ik geloof in poëzie-onderwijs. Ik geloof dat het zin heeft in de les Nederlands een leeshouding aan te kweken tegenover poëzie die toelaat het leesbereik op te tillen boven wat evident consumeerbaar is. Ik vind daarom het lezen en bespreken van door de leerling als moeilijk ervaren gedichten erg nuttig. Ik vind de minimalistische manier waarop poëzie vaak wordt gepresenteerd in recente handboeken niet zo gelukkig, omdat ze de toegang tot zowel oudere poëzie (immers alle poëzie dateert van vandaag) als ‘moeilijkere’ poëzie nauwelijks helpt bevorderen. Om te eindigen met een zin uit het essay: “Ook al leest maar 2% van het geletterd publiek na de schooltijd nog poëzie, iedereen moet de kans krijgen tot die 2% te horen.”
Ik dank u.
Charles Ducal
(Lesing gelewer tydens die Studiedag Stichten Lezen op 13 Januari 2010)





[...] Studiedag Stichting Lezen. Charles Ducal. Lesing gelewer op 13 Jan. 2010. (Jan. 2010) [...]
[...] ek dan dié gedeelte volledig hieronder. Ook was Charles Ducal vriendelik genoeg om vir ons die lesing te stuur wat hy ten aanloop tot die publikasie van Gedichtendag-essay daaroor gelewer het. Dit op [...]
[...] is die feit dat die meerderheid van dié betrokkenes nie onbekend vir jou behoort te wees nie: Charles Ducal vanweë sy Gedichtendag-essay en die ligte irritasie daaromtrent, Peter Holvoet-Hanssen, die [...]