Luuk Gruwez. Grappen met God
DE SIRENE
In deze rubriek, waarvan onderstaande aflevering recent in de Standaard der Letteren verscheen, bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken.
GRAPPEN MET GOD
De nieuwste bundel van de in 2008 nog met de VSB-poëzieprijs bekroonde Nachoem M. Wijnberg heet Divan van Ghalib. ‘Divan’ betekent zoveel als ‘liedboek’. Wie was of is die Mirza Ghalib? Hij leefde van 1797 tot 1869, woonde tijdens de Britse overheersing in Dehli, was bekend van zijn brieven en zijn liefdesgedichten die hij in het Urdu en het Perzisch schreef en werd in zijn tijd als een van de populairste dichters in Zuid-Oost-Azië beschouwd. Maar voor wie staat Ghalib in deze bundel? Wat stelt hij allemaal voor? Hoe is zijn verhouding tot Nachoem M. Wijnberg en waarom heeft deze laatste hem tot hoofdpersonage van een bundel van 162 blz. overwegend lange gedichten gemaakt? De lezer krijgt het antwoord op die vragen (gelukkig) niet zomaar in de schoot geworpen.
Men zal het mij misschien kwalijk nemen dat ik deze bundel aanbeveel. Hij balanceert voortdurend op de rand van de realiteit en de irrealiteit, het weten en het niet weten, het beginnen dat verwisselbaar is met het eindigen. Hij intrigeert vanwege zijn volgehouden parafilosofische overwegingen en tegelijk overdondert hij de lezer met zijn heldere onhelderheid, met de vreemde logica van het onlogische en de kennis van het onkenbare. De dichter, die de lezer voortdurend op het verkeerde been zet, noemt Ghalib dan ook diverse keren een grapjas. Hij is wat dit betreft in voornaam gezelschap, want ook God maakt grapjes. (God en Ghalib lijken hier twee concurrerende scheppers.) Eén gedicht heet overigens ‘Een grap van God’. Is deze kwalificatie (‘grapjas’) misschien ook op Wijnberg zelf van toepassing?
Sommigen zullen zijn poëzie gebakken lucht vinden, gratuite drukdoenerij, ellenlang uitgesponnen gewichtigheid: langdradige fabricages in een te volumineuze band. Maar misschien heeft veel hier met de leeshouding te maken. Je kunt deze verzen het best in een lichte roes lezen, tussen nuchterheid en dronkenschap, met de nog net verdedigbare logica die tussen die twee in ligt. Aan de orde is de vanzelfsprekendheid van het ongewone en het afwijkende. Op mij had de bundel op de lange duur een licht hypnotisch effect. In elk geval is hier een dichter aan het woord die met niemand in ons taalgebied vergelijkbaar is. Een maker van betekenissen die hij heeft losgekoppeld van hun conventionele wereld. Soms heeft de dichter het heft niet in eigen handen en legt de poëzie haar eigen semantiek op. Het is niet altijd even duidelijk wie het voor het zeggen heeft, de dichter of zijn gedicht. Meer dan eens krijg je, al dan niet verkeerdelijk, de indruk dat het in eerste instantie het lot is dat dit bepaalt. In deze verzen is er namelijk niet één mens die dit in eigen handen heeft. De poëzie heeft zoveel autonomie weten te verwerven dat zij de indruk wekt zelf aan het denken te slaan en door de dichter alleen maar neergepend te worden. De schrijver lijkt daardoor soms gereduceerd tot opschrijver. Wijnberg is dan ook een spreekbuis. Hij laat zich redelijk gewillig meedeinen op de golven van zijn verbeelding. Dat maakt van hem ook een democraat: hij gunt zijn woorden recht van spreken. Gestrengheid, beteugeling en Beschränkung liggen nu eenmaal niet in zijn aard.
Alle gedichten in Divan van Ghalib hebben een epische inslag. Er worden voortdurend verhalen opgedist en tegelijk gebeurt hier alles en niets. Er is een vertelling die je min of meer kunt volgen, maar je hebt zelden de indruk dat het de dichter om een pointe te doen is. De gedichten staan vol anekdotes en taferelen die gefascineerd weergegeven worden, maar die de lezer opschepen met de vraag wat er nu eigenlijk achter steekt. Wijnberg schrijft over de wereld in de traditie van Ghalib, de dichter met wie hij zich tegelijk vereenzelvigt en van wie hij zich vaak ook distantieert, bijvoorbeeld door het feit dat hij hem aanspreekt. Je kunt met gemak stellen dat hier een onteigend ik aan het woord is, opererend in een kader dat een soort mythische tijdeloosheid uitstraalt (ook al wordt een enkele keer vaag gerefereerd aan het conflict in het Midden-Oosten).
Dat ik is allang niet meer zichzelf of toch niet uitsluitend. Een bonte kliek religieuze personages (God, Mohammed, Abraham, Isaak, Jozef, Jezus e.a.) bevolkt deze bundel. De ene keer gaat het om figuren uit de judeo-christelijke cultuur en de andere keer uit de islam: de vaagheid die heerst inzake de situering in de tijd, geldt in beperktere mate ook voor de ruimtelijke situering, al is het waar dat de woestijn een prominente rol speelt en dat er al eens een keertje sprake is van mensen die op platte daken slapen, waardoor ik mag aannemen dat een en ander zich niet in Lapland afspeelt. Het enige wat duidelijk wordt, is dat allen, inclusief Ghalib en Wijnberg, onderweg zijn. Waar naartoe? Misschien wel naar elkaar, in het aanzien van de dood. Eén gedicht eindigt met deze regels:
‘Ghalib, ik denk dat ik nu zie hoe wij bij de dood kunnen komen;
jij en ik, als we vroeg zijn kunnen we er een tijd lang naar
kijken.’
Niet alleen individueel, maar ook collectief, zeg maar als volk, lijkt iedereen weg te willen. De Egyptenaren bijvoorbeeld uit Egypte, om de joden voor te zijn. Alleen de ikpersoon blijft ter plekke: ‘Ik blijf in Egypte, weet dat ik wie vannacht weggaan nooit meer zal terugzien (…).’
Hoe kun je Ghalib en mutatis mutandis de dichter van deze bundel verder nog omschrijven? Hij is iemand die voortdurend iets moet doen om voor zichzelf een bestaansrecht af te dwingen. Hij is iemand die kleren moet dragen, een slaapplaats moet hebben, op geld uit is: geregeld opduikende motieven die allemaal als bewijsstukken van zijn aanwezigheid gelden. Hij lijkt daarbij al van bij de aanvang gehandicapt. Er is in veel gedichten sprake van een onderhuidse competitie waarbij het erop aankomt sneller dan de ander te zijn, soms ook sneller dan God, die andere schepper, de schepper die excelleert in dat soms veel te snelle scheppen. Wil Wijnberg God evenaren? In elk geval schrijft hij: ‘Poëzie is het maken van betekenis, niet van iets anders,/ elke keer dat Ghalib een nieuwe betekenis bedenkt wil God/ die met hem ruilen voor iets anders.’ Krijgen en geven zijn hier belangrijke werkwoorden. Je geeft om te krijgen. De relatie tussen mensen is bepaald mercantiel van aard.
De dichter van deze bundel verkeert in een moeilijke positie. Hij kan maar niet beginnen. Zelfs in het eerste gedicht dat ‘Begin’ heet, heeft hij hierdoor al een achterstand opgelopen op een ongedefinieerde andere die kennelijk vroeger van start is kunnen gaan. Het lijkt of hij aan dadeloosheid lijdt en gebukt gaat onder een manco aan kennis. Kennis is hier echt een sleutelbegrip. Het hoofdpersonage moet voortdurend een oplossing zien te vinden voor een probleem dat zich aan hem voordoet en er is kennis vereist om dit tot een goed eind te brengen. Hij moet zijn eigen betekenis ontwerpen. Hij moet leren kunnen. Pas dan zal hij in staat zijn de anderen te ontmoeten. Pas dan zal hij ook kunnen eindigen. Pas dan zal hij weten naar welke oplossing hij al die tijd op zoek is geweest.
__________________________
NACHOEM M. WIJNBERG
Divan van Ghalib
Uitgeverij Contact, 162 blz., 24,95 euro.







