Goue visse, goue gedigte
Van visse weet ek nie meer as die gemiddelde mens nie. Ek bedoel nou die prettige soort (vis) wat in akwariums en vistenks en tuindammetjies rondswem. Ek sal nou byvoorbeeld nie kan sê waaraan ’n vis siek is of dit ’n inspuitinkie kan gee nie. Toe ek dus ’n jaar of twee gelede ’n visdammetjie in my voortuin grawe, was dit met groot huiwering oor die welstand van die toekomstige dambewoners. Ek het nie toe kon dink dat daar iets is soos ’n troetelvis nie. Dat mens nogal geheg kan raak aan so ’n koudbloedige gliplyfie nie. ’n Papegaai streel ek nie sommer nie – die goed het snawels en kloue – maar ’n goudvis wat so onder ’n mens se vingers kom aai … Ai!
Dus het ek ook ’n sagte plekkie ontwikkel vir dié gedig van Jan van Nijlen:
De goudvisch
‘k Was al die dagen al te zeer verlaten,
Niets leek mij aardig noch de moeite waard,
En ‘k heb een visch gekocht om mee te praten,
Een goudvisch met een wuivend-blonden staart.
Dit word wellicht een lieve vreugd voor later,
Dit wentlend leven in het helder water.
De koopman zei: zijn afkomst is japansch
En ik geloof dat hij me niet bedroog.
Hij zwemt (de visch) nu lustig rond en ‘k ga thans
Dit dier verleiden met een monoloog.
Hij heeft de kleur der aardbei die gaat rijpen,
‘t Is heel erg mooi, - maar zal hij mij begrijpen?
Op ‘t eerste zicht voortreff’lijk polyglot,
Lijk hij niet ongevoelig voor tiraden,
Zelfs in een taal die met de regels spot,
En ook voor Fransche verzen met hiaten.
Wat is zijn meening? Heeft hij soms bezwaar?
Hij antwoordt enkel met een staartgebaar,
Zijn staat als visch is duidelijk, mij staat
Is het lang niet. Ik ben een eenzaam dichter,
Een treur’ge twijflaar die te wachten staat
Dat ‘t leven eens hem teeder wordt en lichter.
‘t Probleem van mensch tot mensch geeft last en hinder,
Maar van poëet tot goudvisch is ‘t niet minder.
Hij lijkt wel levend vuur wanneer in ‘t water
De lage gloed valt van het avondlicht.
En naast hem droomt, afwezig, de oude kater;
Het is een leerrijk en een mooi gezicht.
‘k Begrijp dat het de schilders inspireert,
En hun de schoonheid van de kleuren leert.
Waar is de Staat of zelfs de Dictatuur
Die den poëet op straf van dood verplicht
Een visch te houden die in ‘t avonduur
Zijn kamer en zijn eenzaamheid verlicht?
Hij zou misschien minder gedichten schrijven,
Maar dichter bij het lieve leven blijven.





Ilse, het jy Edwin Fagel se “Wisselkaart” oor ‘n gedig van K.Michel gesien? Dit is ‘n prettige vers wat ook oor visse handel … En so ook Ester naomi Perquin se inskrywing oor ‘n gedig van Marije Langelaar. Mmmmm, miskien moet ons volgende maand se blogfokus “visse” maak, of wat dink jy?