Chris Coolsma. Bevroren momenten

Bevroren momenten

Dikwijls verbaas ik me over de hardnekkigheid van ingeslepen beelden bij herinneringen aan plekken en personen. Het eerste beeld dat bovenkomt als ik aan een pianostuk van Bartok begin, is een grijs stenen gebouw in Utrecht, waarvan ik vroeger dacht dat het Utrechts Conservatorium er gevestigd was. Als ik aan mijn ouderlijk huis denk, zie ik eerst de zanderige bostuin voor me, met klimbomen en een schommel. Onmiddellijk klinkt in mijn hoofd het geluid van het stemwijsje van mijn vader uit de werkplaats waar blokfluiten werden gebouwd. De plaatsnaam Zeist (mijn geboorteplaats) start de film van een blauwe tram die het treinstation uitrijdt. Amsterdam werpt licht op de van Baerlestraat voor het Concertgebouw, waar een toevallige ontmoeting de loop van mijn leven voorgoed veranderde. Herinner mij aan Zuid Afrika en ik zie een dreigende massa van okergele rotsen boven me, een rondawel en een weg die voor en achter ons als bij toverslag verdwenen is.

Twee van deze bevroren momenten zijn vals. Het Conservatorium was niet in dat gebouw gevestigd en na de Tweede Wereldoorlog reed er geen tram meer door Zeist. Toch verschijnen de beelden telkens weer als eerste en, sterker nog, ik geloof meer in hun waarheid dan de waarheid die waar is. Nu is dat wel bekend, we construeren ons eigen verleden en die constructies vervangen de werkelijkheid. Dat gaat nogal willekeurig in zijn werk. Zoals Cees Nooteboom schreef: het geheugen is een luie hond, die gaat liggen waar hij wil.

Al deze eerste beelden worden direct weggevaagd door tal van andere. Ze zijn indringend maar vluchtig en er aan blijven denken wist ze uit. Er zijn maar een paar beelden die zo krachtig zijn, dat ze het altijd winnen van alle andere. En dat ze los blijven staan als een monument van een moment. De eerste keer dat ik mijn latere vrouw zag. Ze droeg haar donkere haar in vlechten en gluurde vanaf een balkon naar mij, zoals ik naar haar gluurde. We waren 14 jaar oud. De eerste keer dat ik het klaslokaal van de lagere school binnenstapte (maar dat is vooral de herinnering aan een geur van lijm en inkt). Het moment waarop ik hoorde dat ik geslaagd was voor mijn eindexamen (ik stond aan een langgatboormachine in een stofwolk onderstukken van blokfluiten uit te boren).

Swartbergpas

De werking van zo’n eerste beeld doet mij erg denken aan de eerste zin van een nieuw gedicht. Ook die dient zich aan als eerste gedachte en wordt, als ik hem niet snel noteer, onmiddellijk overspoeld door andere. Ook die heeft een intensiteit die alleen de eerste ervaring van een bijzondere gebeurtenis heeft. Waarschijnlijk is het juist die intensiteit die er voor zorgt dat zulke openingsbeelden voordringen in ons geheugen. Ze zijn verbonden met een heftige emotie. Zonder er nu studies op na te slaan (Douwe Draaisma schreef er fascinerend over) geloof ik erg in wat ik hier schrijf. En ik geloof ook dat schrijven van dichten heel veel te maken heeft met het zoeken naar beelden met die intensiteit. Wat onherroepelijk effecten heeft op de lezer. Als een gedicht geslaagd is, roept het emoties bij de lezer op, die de schrijver wilde oproepen en die aanvankelijk tot het schrijven van het gedicht leidden. Als die eerste zin een bevroren moment was, wordt de zin op zich dat voor de lezer.

Heb ik nu erg veel woorden gebruikt om het amandelkoekjeseffect van Marcel Proust uit te leggen? Misschien, misschien. Daarom weer snel terug naar die avontuurlijke reis over de Swartbergpas. Wie de weg vervolgt naar het Noorden, raakt al snel verward in grillige ravijnen tussen hoge bergen. Tijdens onze rit stopten we ergens bij een rondawel. Rond ons rezen overhellende rotswanden op. Mijn echtgenote verzuchtte: ‘Hier is God wel erg kwaad geweest’. Die zin en de beelden van die plek bleven haken in mijn geheugen en een maand later ontstond dit gedichtje:

Na de Swartbergpas voor Prins Abert

In de kloof met de verwrongen wanden

zei je dat Hij hier wel erg kwaad was geweest

 

Ik dacht aan miljoenen jaren stuwing

van magma, aan miljoenen jaren kabbelen

en slijpen van een rivier

 

Maar ik zweeg

want ik wist niet zeker

of Zijn woede wel over is.

**

Is dit eigenlijk wel een gedicht? Of beter gezegd: behoort dit gedicht niet tot de 99% terecht niet gepubliceerde gedichten van de 1 miljoen rijmelende Nederlanders waar Robert Anker op doelt in zijn artikel in De Groene Amsterdammer van 21 januari 2010 (‘Het schandaal van de poëzie’)? Daarover een volgende keer. Als ik durf.

 

(Chris Coolsma)

 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.