Alfred Schaffer. Over ‘The Future’ van Les Murray

The future

 

There is nothing about it. Much science fiction is set there

but is not about it. Prophecy is not about it.

It sways no yarrow stalks. And crystal is a mirror.

Even the man we nailed on a tree for a lookout

said little about it; he told us evil would come.

We see, by convention, a small living distance into it

but even that’s a projection. And all our projections

fail to curve where it curves.

                                            It is the black hole

out of which no radiation escapes to us.

The commonplace and magnificent roads of our lives

go on some way through cityscape and landscape

or steeply sloping, or scree, into that sheer fall

where everything will be that we have ever sent there,

compacted, spinning – except perhaps us, to see it.

It is said we see the start.

                                        But, from here, there’s a blindness.

The side-heaped chasm that will swallow all our present

blinds us to the normal sun that may be imagined

shining calmly away on the far side of it, for others

in their ordinary day. A day to which all our portraits,

ideals, revolutions, denim and dishabille

are quaintly heartrending. To see those people is impossible,

to greet them, mawkish. Nonetheless, I begin:

‘When I was alive – ’

                               and I am turned around

to find myself looking at a cheerful picnic party,

the women decently legless, in muslin and gloves,

the men in beards and weskits, with the long

cheroots and duck trousers of the better sort,

relaxing on a stone verandah. Ceylon, or Sydney.

And as I look, I know they are utterly gone,

each one on his day, with pillow, small bottles, mist,

with all the futures they dreamed or dealt in, going

down to that engulfment everything approaches;

with the man on the tree, they have vanished into the Future. 

 

Les Murray (door David Naseby)

Les Murray (door David Naseby)

Het is een flaptekst die tot de verbeelding spreekt, achterop De slabonenpreek (1997), een keuze uit het werk van Les Murray, weergaloos vertaald door Maarten Elzinga:

‘De Australische dichter Les Murray (1938) woont de ene helft van het jaar in een afgelegen streek van Australië en reist in de andere helft door de wereld om her en der zijn poëzie ten gehore te brengen en lezingen te houden – geen wonder dat de spanning tussen een teruggetrokken en een werelds leven deel uitmaakt van zijn werk. In zijn gedichten, die prachtig het midden houden tussen spreektaal en verheven taal, stelt hij een aantal universele thema’s op geheel eigen wijze aan de orde […].’ Dit is niet alleen een prachtige, ruimtelijke karakterisering, ook ontstaat hier een schitterend verhaal. Dat van de wereldwijze kluizenaar, de profeet die de Waarheid verkondigt aan de mensen, na een periode van afzondering en meditatie.

Het is eigenlijk verbazend dat Murrays poëzie die mythologisering ook nog eens rechtvaardigt; ik ken weinig dichters die zo krachtig over of naar aanleiding van concrete ‘onderwerpen’ dichten, en tegelijkertijd zulke ongrijpbare gedichten schrijven, een ‘poëtische’ waarheid benaderen. Zijn gedichten zijn van taal gemaakt, maar vooral ook van praktische zaken als thema’s, invalshoeken. Bij de Nederlandse dichter H.H. ter Balkt vind je diezelfde waarden terug, en in mijn ogen zijn de twee dichters dan ook verwant, misschien niet in zienswijze, maar wel in aanpak, werkwijze.

Murrays poëzie is bij uitstek een oefening in denken en kijken, en dat alles met een feilloze intuïtie voor het onnavolgbare. Zoals hij het zelf stelt in het grootse ‘Poetry and Religion’: ‘Full religion is the large poem in loving repetition;/ like any poem, it must be inexhaustible and complete/ with turns where we ask Now why did the poet do that?’

Die waarheid, of eerder wijsheid, die Les Murray dikwijls lijkt te verbergen, verraadt zich door weggemoffelde ‘kennis’ in een bijzin of bijvoeglijke bepaling, een korte bijstelling, een zogenaamd terloopse toelichting op het voorafgaande, vaak met een beeld, zoals in een andere sublieme passage in ‘Poetry and religion’: ‘It is the same mirror:/ mobile, glancing, we call it poetry,// fixed centrally, we call it a religion,/ and God is the poetry caught in any religion,/ caught, not imprisoned.’ [mijn cursivering, as] Dit is geen truc, maar een vanzelfsprekend gevolg van de heldere spreektaligheid die Murray’s gedichten dikwijls voorwenden. Het zijn retorische toevoegingen, eerder dan ‘dichterlijke’.

Vandaar misschien dat Murray zo makkelijk grote onderwerpen aanpakt; zijn taal kan dat aan, omdat die even krachtig is als zwervend, zoekend, formulerend – sterker nog, zijn taal verheft het onderwerp en maakt het subliem, zuiver, en dus voor ons blote oog in zekere zin onnavolgbaar. Wat niet hetzelfde is als onleesbaar.

Zo is het ook met ‘The Future’. De toekomst: een groot leeg vat. De naam van een zeilschip, de jeugdopleiding van een voetbalclub. Onderwerp voor verkiezingen, kernwoord in speeches van managers en ministers. Belofte en teleurstelling ineen. Kijk je terug, dan lijkt de toekomst vaststaand, bepaald, wat misschien verraderlijk is, maar ook een bevestiging van het Lot en een ontkenning van het Toeval.

In ‘Een foto’ schrijft Joseph Brodsky: ‘Vreemd en onprettig is het te bedenken dat/ zelfs ijzer zijn eigen lotsbestemming niet kent’. Dat is waar, maar wat Murray in ‘The Future’ probeert, is niet het onder woorden brengen van een frustratie, van de ultieme onwetendheid, en daarmee van onze onmacht, maar het mechaniek verbeelden van onze wedergang, van ons heden en ons verleden, de projecties die elk toekomstbeeld subjectief maken.

Het lijkt of Murray de toekomst ziet als ‘reeds ingevuld’, alleen noodgedwongen onkenbaar. Dat ook hij dus niet ontkomt aan een persoonlijke invulling van het onbepaalde is te lezen in de slotregels, wanneer het verleden, dat ooit toekomst was, wordt neergezet met beelden die onmiskenbaar particulier aandoen. ‘[A] cheerful picnic party,/ the women decently legless, in muslin and gloves,/ the men in beards and weskits, with the long/ cheroots and duck trousers of the better sort,/ relaxing on a Stone verandah.’ Een in mijn ogen schilderachtig, koloniaal tafereel, in feite volkomen inwisselbaar, maar door de beeldende en retorische kracht van het gehele gedicht een voorstelling van dé geschiedenis, en hét verleden.

Murrays benadering van de toekomst is ontuchterend, al direct gedemonstreerd in de eerste regel: ‘There is nothing about it.’ Die stelling is in al zijn beknoptheid meteen de kern van dit gedicht. Ze is zowel een gesloten deur, als een uitnodiging ons hier en nu te omarmen, in de berustende wetenschap dat met de beste wil niet meer dan dit over het vooruitzicht van een menselijk leven kan worden gezegd.

Meer ontnuchtering. Sciencefiction speelt zich af in de toekomst, maar handelt niet óver het vooruitzicht op lange termijn. Dat is scherp gezegd. De toekomst doet niets bewegen dat nu leeft, nu buigt. Het magische kristal, materiaal van de voorspelling, geeft geen diepte, maar reflectie – het verraderlijke aan holle retoriek: die dient als (verleidelijke) spiegel, niet als telescoop.

‘Even the man we nailed on a tree for a lookout/ said little about it; he told us evil would come.’ Dat is wat mij betreft een van de mooiste regels in het oeuvre van Murray, omwille van het beknopte godsbegrip, dat valt en staat bij devotie en vertrouwen, niet bij ‘weten’ – en Murrays volkomen aardse benadering van het mystieke, én de terloopse medeplichtigheid in het woordje ‘we’. Ja, wij zijn schuldig en we verkeren in het ongewisse over ons lot, vandaar het belang van de toekomst. Juist door de achteloze typering – een man vastgespijkerd aan een stuk hout, aan een boom –, maakt de geloofsovertuiging verankerd, vanzelfsprekend, en het gedicht daardoor tragischer, universeler. Wat tevens meeklinkt is dat onzekerheid eerder een bron is voor angst of kwaad dan voor hoop of bevrijding, zeker in de christelijke traditie. Toch is het gedicht verre van deprimerend, hooguit berustend.

Murray ziet, zoals velen, de toekomst als een ruimtelijke entiteit, als een ‘small living distance’. Een lineaire lijn dus, maar alleen volgens afspraak. En we zien slechts het begin. Onze projecties buigen niet waar de toekomst afbuigt – ze is dus grillig –, we kunnen haar niet tot het einde volgen.

Ook vormtechnisch beantwoordt het gedicht aan deze laatste constatering. Er is in een goed gedicht altijd een moment waarop je als lezer als het ware achterop raakt, achter het gedicht aan begint te hollen, dat zelf de geest krijgt en opstijgt. Ergens voorbij de helft van ‘The Future’ weken retoriek en begripsvorming door de opeenvolging van ontkenningen langzaam los, en zorgen (poëtische) kennis en waarheid voor een uitdijend begrip.

Het dierbare verleden begroeten, is op een aandoenlijke wijze hoogst sentimenteel. Waarom koesteren we dat verleden dan toch, zoals de dichter zelf ook volhoudt (‘nonetheless, I begin’)?

Het antwoord schuilt misschien in het raadselachtige ‘When I was alive – ’. Raadselachtig, want het is immers geen dode die tot ons spreekt. Wat volgt is dat schilderachtige, koloniale tafereel, onherroepelijk tot het verleden behorend, en daarmee opgelost in de toekomst.  

Het is die paradox, die deze poëzie zo uitzonderlijk maakt, en het toekomstbegrip zodanig ververst dat het uiteindelijk toch haaks komt te staan op het cliché en alles wat in een essay onmogelijk te verbeelden zou zijn. De verbeelding van die paradox, en de zakelijke voorstelling van het bijzondere, maken dit gedicht tóch ongrijpbaar, alleen tot op zekere hoogte na te vertellen.

Ceylon

Ceylon

Zoals alle goede poëzie, gaat ook dit gedicht over het dichten zelf, en vooral het lézen van een gedicht: net als met het begrip ‘De Toekomst’, kun je van een goed gedicht alleen bij benadering de coördinaten bepalen. Een regel als ‘It is the black hole out of which no radiation escapes to us,’ is een poëticale stellingname. ‘The Future’ is een bewijs van die stellingname, bevestigd in de regel: ‘It is said we see the start.’

Het begin verraadt de diepte die wij vermoeden achter het tast- en zichtbare, en zo schept ook het gedicht haar eigen mythologie. Een hoopvol gedicht, ondanks ons blijvend tasten in het duister.  

 

De toekomst

 

Er is niets dat er over gaat. Veel science fiction speelt er

maar gaat er niet over. Profetie gaat er niet over.

Duizendbladstelen worden er niet door beïnvloed. En kristal is een spiegel.

Zelfs de man die we als uitkijk aan een boom hebben gespijkerd

had er weinig over te melden; hij zei dat onheil naakte.

We denken graag dat onze blik er een korte levende spanne in doordringt

maar zelfs dat is projectie. En geen van onze projecties

kromt zich met haar kromming mee.

                          Het is het zwarte gat

waaruit geen straling onze kant op ontsnapt.

De alledaagse en de sublieme paden van onze levens

strekken een eind weegs door landschap en stadschap

of duiken langs puinhellingen omlaag, tuimelen in die loodrechte val

waar alles zal zijn wat we er ooit heen zonden,

gebald, tollend – behalve wij misschien, om het te zien.

Men zegt dat we het begin zien.

                                Maar hiervandaan heerst verblinding.

Het zijdelings opgetaste ravijn dat al ons nu straks opslokt

verblindt ons voor de gewone zon, waarvan je je kunt voorstellen

dat hij rustig doorschijnt aan de andere kant – voor anderen

op hun doodgewone dag. Een dag waarvoor al onze portretten,

idealen, revoluties, denim en deshabillé

wonderlijk ontroerend zijn. Die mensen te zien is onmogelijk,

hen te groeten nogal sentimenteel. Maar desondanks begin ik:

`Toen ik leefde…’

                     en merk dat ik word omgedraaid

en opeens sta te kijken naar een vrolijke picnic,

de vrouwen beschaafd beenloos, in mousseline en handschoenen,

de mannen in baard en gilet, met hun lange corona’s

en broeken van eersteklas Engels leer, zich vermeiend

op een stenen veranda. Ceylon, of Sydney.

En terwijl ik kijk, weet ik dat zij weggevaagd zijn,

elk op zijn dag, met hun kussens, flesjes, mist,

met alle toekomst die ze beloofden of droomden, verzwolgen

door die ene muil waar alles zich naartoe beweegt;

samen met de man aan de boom zijn ze in de Toekomst verdwenen.

 

Vertaling: Maarten Elzinga, te verschijnen in Les Murray, De planken kathedraal (Meulenhoff, 2010)

Dit artikel verscheen eerder in een themanummer van het Nederlandse tijdschrift Liter (nummer 55, jaargang 12; september 2009) over de poëzie van Les Murray.

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Alfred Schaffer. Over ‘The Future’ van Les Murray”

  1. Maarten,

    Wanneer verschijnt ‘De Planken Kathedraal’ nu eindelijk? Bij Lannoo/Meulenhoff kan men mij daarover geen duidelijkheid verschaffen. Die verrekte fusie waarschijnlijk! Gaat het project nog door?

    MVG,

    Peter Wullen.