Edwin Fagel. Eerste brief aan O.

Beste O.,

Erg bedankt voor Een open plek. Ja, ik ken Jellema, maar ik zou mezelf geen kenner van zijn werk willen noemen. Eigenlijk ken ik alleen die postume bundel goed, Stemtest, dat vind ik een erg mooie bundel. Een verrassende keuze – al snap ik wel, na ons gesprek in Ton’s Muziekcafé, waarom je me juist dit essaybundeltje stuurt. Het ziet er mooi uit trouwens, ik bedoel de vormgeving.

C.O. Jellema - Een open plek

C.O. Jellema - Een open plek

Ik ben geen filosoof, en ook geen theoloog, dus misschien kun je me even helpen: wat bedoelt Jellema met het ‘waarheidsbeginsel’? Het is volgens mij de kern waar al zijn essays, en ik denk ook zijn gedichten, om draaien. Maar ik krijg er niet goed de vinger op wat hij er nu precies mee bedoelt.

 

 

Heb je het boekje zelf gelezen? In het eerste essay legt hij namelijk aan de hand van een droom zijn opvattingen over poëzie uiteen. Hij citeert het verhaal van de droom letterlijk uit een verslag dat hij destijds (5 april 1983) direct na het wakker worden in een schriftje opschreef. In de droom wordt hij door een bevriend dichter (een afsplitsing van hemzelf, zegt Jellema zelf) uitgenodigd samen met hem het boek Ruth te gaan vertalen. En aan de hand van het kernwoord ‘vertalen’ komt Jellema dan tot de volgende conclusie:

Ik denk dat ik daarmee precies gezegd heb, waar het bij het maken van een gedicht om gaat. Om iets te begrijpen, niet in het systeem van een theorie, maar in de ordening van beelden, zodat het inzicht niet vooraf gaat aan de formulering, doch het voltooide gedicht inzicht achteraf pas mogelijk maakt. (p. 9).

De opmerking waar de droom mee begon is dan te plaatsen. Jellema zegt in zijn droom namelijk: “Ik ben geen pure estheet, maar een waarheidszoeker.” Hij legt dat uit met de opmerking dat een gedicht alleen in de vorm die het noodzakelijkerwijs kreeg ‘waar’ kan zijn: Geleid worden die reflecties door een achter alle bewuste of onbewuste beslissingen staand waarheidsbeginsel (p. 10).

Maar wat houdt dat waarheidsbeginsel dan in, weet jij dat? Jellema stelt de vraag zelf trouwens ook en hij beantwoordt hem als volgt: In elk geval ligt die door de esthetiek van de vorm heen ook weer buiten de esthetiek, hoewel niet anders dan in die ene vorm op die manier waar. In elk geval geen van te voren gekende waarheid, en geen algemeen geldige. Het is een waarheid die zichzelf voortbrengt in het gedicht en dan voor een bepaalde duur geldigheid heeft. (p. 10-11).

Ik vind dat wel mooi gezegd, maar echt heel veel helderder wordt het er wat mij betreft niet op. Hij komt er verderop in het boekje nog wel op terug. Hij schrijft in het daarop volgende essay bijvoorbeeld: En als ik hier het woord waarheid gebruik, versta ik dat vanuit zijn Griekse equivalent, de alètheia, dat oorspronkelijk de ‘onverborgenheid’ betekent. (p. 16).

Zelf zou ik geloof ik niet zo snel spreken van een ‘waarheid’, die in poëzie tot uitdrukking wordt gebracht. Er zit ook iets van een waardeoordeel in die term lijkt me: iets is waar, dus goed; of onwaar, dus slecht. Ik lees poëzie ook niet primair om inzicht te krijgen. Denk ik. Ik zou daarom eerder het woord ‘werkelijkheid’ gebruiken. Een ‘werkelijkheid’ is. En is voor iedereen verschillend. Een ‘werkelijkheid’ is niet waar of onwaar. Het is er.

Maar misschien begrijp ik Jellema wel helemaal verkeerd. Misschien bedoelt hij wel hetzelfde als wat ik bedoel met mijn ‘werkelijkheid’. Dus ik zou graag eens horen wat jij daarvan vindt.

Heb je trouwens de laatste Poëziekrant gelezen? Ik vond vooral die gedichten van Robert Hass in de vertaling van H.C. ten Berge erg goed. Die opmerking van jou, dat esthetisch genot erotisch van aard is, wist je dat die van Ezra Pound is? Dat zegt Hass tenminste. Ik dacht dat je hem zelf had verzonnen. Hieronder het gedicht, en dan ga ik slapen. Morgen weer vroeg op.

 

Ezra Pounds grondstelling

 

Schoonheid is sexueel, en sexualiteit

Is de vruchtbaarheid van de aarde en de vruchtbaarheid

Van de aarde is economie. Ofschoon hij op het punt van financiën

Geen aanbeveling voor dichters is,

Dacht ik aan hem in de drukkende hitte

Van nachtelijk Bangkok. Niet ouder dan veertien slentert ze op je af

Buiten het Shangri-la Hotel

En zegt in verstaanbaar Engels,

‘Wat denk je van een feestje, stoere jongen?’

 

Zo gaat het min of meer in zijn werk:

De Wereldbank regelt het krediet waarna de stuwdam

Driehonderd dorpen onder water zet en de dorpelingen hun weg vinden

Naar de stad waar hun dochters in de bomvolle straten oplossen

En de grote turbines van de dam, knap gefabriceerd

In Lund of Dresden of Detroit, gefinancierd

Door Lazard Frères in Parijs of de Morgan Bank in New York,

Mogelijk gemaakt door slimme donaties van Bechtel uit San Francisco

Of Halliburton uit Houston aan de plaatselijke politieke elite,

Aangedreven door de kracht van stromend water

Koren van glinsterend zilver zijn geworden,

Die stroomafwaarts dat blauwige flikkerlicht werpen

Over haar jukbeenderen en haar lieftallige huid.

 

(Robert Hass, uit: Time and Materials, 2007).

 

De door Ten Berge vertaalde selectie heet Een verhaal over het lichaam en komt ergens in dit jaar uit bij Meulenhoff. Ik ben in juli jarig. Onthoud dat.

 

Tot nader,

 

(Edwin Fagel)

 

Bookmark and Share

3 Kommentare op “Edwin Fagel. Eerste brief aan O.”

  1. Chris Coolsma :

    Beste Edwin,

    Wat een fascinerende vraag en wat een fraaie uitnodiging om de bundel van Jellema te lezen.
    Ik begrijp het alsvolgt. Er is een werkelijkheid die bestaat uit steen, hout, gas, geur, dieren, mensen enzovoort. Alles wat tastbaar is met onze zintuigen. Er is ook een werkelijkheid die bestaat uit ideeën, gedachten, meningen, afbeeldingen, waaronder afbeeldingen van die werkelijkheid. Een deel daarvan wordt ook weer deel van de materiële werkelijkheid (een schilderij bijvoorbeeld, of een gedicht op papier), een ander deel blijft immateriële werkelijkheid.
    Een dichter (een kunstenaar) is een estheet als hij streeft naar schoonheid in de afbeelding van de werkelijkheid. Hij is zich vooral bewust van de vorm en besteedt de meeste aandacht aan de vorm. Hij wil schoonheid maken.
    Een dichter is een waarheidsvinder als hij streeft naar het benaderen van het volledig begrijpen van de werkelijkheid. De afbeelding die hij maakt van de werkelijkheid wil hij zoveel mogelijk in de buurt van de werkelijke werkelijkheid laten komen (de waarheid), al weet hij dat dat onmogelijk is. Hij is niet in de eerste plaats geïnteresseerd in de vorm, maar de vorm voegt zich en wordt op een bepaald moment ook weer deel van de werkelijkheid.
    Een dichter kan niet van te voren een theorie opstellen over de werkelijkheid, om die dan af te beelden. Een dichter beschrijft de werkelijkheid al (af)beeldend.

    Zo heb ik deze redenering ook opgeschreven. Wat er nu staat is mijn tijdelijke waarheid, waar ik naar zocht. Omdat het een redenering is, heb ik geen gedicht geschreven. De vorm is secundair geweest. Ik wilde allereerst waarheid, geen schoonheid. Een dichter zal denk ik altijd ook naar schoonheid streven, ook al is hij een waarheidsvinder.

    Hartelijke groet

    Chris C.

  2. Louis :

    Edwin, ek het lank gedink oor hierdie vraag van jou … Want ek is self nie seker wat die “waarheid” van ‘n vers is nie. ‘n Bepaalde vers staan immers binne ‘n bepaalde konteks; in inhoud, sowel as sy plasing in ‘n bundel. Ook nog in ‘n wyer konteks binne die kanon van ‘n bepaalde digkuns, die taal en kulturele geskiedenis daarvan. Dit is myns insiens sy “werklikheid”. Maar sy “waarheid”?
    Miskien hou dit verband met iets wat Debussy oor die musiek te sê gehad het: “Love of art does not depend on explanations, or on experience as in the case of those who say ‘I need to hear that several times’ … When we really listen to music, we hear immediately what we need to hear.”
    En ook nog die volgende: “I wanted from music a freedom which it possesses perhaps to a greater degree than any other art, not being tied to a more or less exact reproduction of Nature, but to the mysterious correspondences between Nature and Imagination.”
    Vervang “music” met digkuns en jy het myns insiens die “waarheid” van die gedig: die misterieuse resonansies van taal en verbeelding.
    Op ‘n manier herinner bogenoemde ook aan Archibald MacLeish se bekende gedig, “Ars poetica”:

    A poem should be palpable and mute
    As a globed fruit,

    Dumb
    As old medallions to the thumb …

    A poem should be equal to:
    Not true …

    A poem should not mean
    But be.

  3. Edwin :

    Dank, Chris & Louis, voor jullie reacties. Om O. niet voor de voeten te lopen zal ik er hier niet op reageren, maar ik ben blij met jullie overwegingen, en de mooie citaten van Debussy en MacLeish.