Edwin Fagel. Tweede brief aan O.

Ha O.,

 

 

Conor Oberst

Conor Oberst

Je maakt m.i. een fout als je een onderscheid maakt tussen ‘de’ werkelijkheid, en de werkelijkheid van het kunstwerk. Waarom is kunst volgens jou iets dat buiten de werkelijkheid staat? 

 

Ik stuur je in deze envelop ook even een kopie van de cd Fevers and mirrors van Bright Eyes. Sowieso een prachtige cd, maar het gaat me even om nummer 11, ‘An attempt to tip the scales’: een vrij kort liedje, dat echter wordt gevolgd door een (gefingeerd) radio-interview van een minuut of acht. Dit gesprek is om meerdere redenen bijzonder en grappig, niet in de laatste plaats omdat zanger Conor Oberst er de beeldspraak in uitlegt die in de teksten op de cd wordt gebruikt. Na een uitleg van de meest opvallende beelden, gaat het gesprek als volgt: 

 

Interviewer: “How about this Ariënette, how does she fit in all this?”

CO: “I prefer not to talk about her. In case she’s listening.”

Interviewer: “O, I’m sorry. I didn’t realise she is an actual person.”

CO: “She isn’t. I made her up.”

Interviewer: “O, so she’s not real?”

CO: “Just as real as you and I.” 

“Wat heeft die gesnoven?” zul je zeggen. Toch geeft dit misschien inderdaad wat vreemde gesprekje heel nauwkeurig weer wat ik bedoel. Kunst drukt volgens mij namelijk niet zozeer iets uit. Ze is. Ik bedoel dus: Kunst geeft m.i. geen uitdrukking aan een (visie op de) werkelijkheid, maar ze is zelf een werkelijkheid. Het schrijven van een gedicht zou voor mij niet de moeite waard zijn als dit niet het geval zou zijn. 

Natuurlijk is het resultaat van het schrijven (tot op zekere hoogte) fictie. Oberst zegt het zelf: deze ‘Ariënette’ is geen vrouw van vlees en bloed. Maar dat betekent niet dat ze er niet is. Trouwens, is de ‘echte’ werkelijkheid, de werkelijkheid van vlees en bloed, niet net zo goed een fictie? Je sloeg me met een aantal nieuwsfeiten om de oren en impliceerde dat die belangrijker zijn dan kunst. Ik vraag me af op basis waarvan. 

Je hebt alleen je vijf zintuigen om die werkelijkheid van vlees en bloed waar te nemen, en hetgeen je waarneemt wordt uiteindelijk in je hersens verwerkt. Wie zegt dat die werkelijkheid inderdaad is zoals we die waarnemen? Filosofen als Hilary Putnam wijzen daar ook op. Uiteindelijk maakt iedereen zijn eigen werkelijkheid, volgens mij. Ik zie dan ook niet wat het verschil is met het waarnemen van de werkelijkheid en het beleven van kunst. 

Uiteindelijk komt het allemaal neer op de vraag in hoeverre je gelooft in hetgeen je waarneemt. Want zodra je gelooft in hetgeen je waarneemt, accepteer je datgene als ‘waar’. Dat geldt voor alles, dus ook voor kunst, ook voor poëzie. Als de kunstenaar een ‘Ariënette’ in het leven roept, en de beschouwer (of in dit geval: de luisteraar) gaat daar in mee – hoe kun je dan nog zeggen dat Ariënette niet bestaat?  

Dat is mystiek. Schrijven is (o.a.) scheppen, het creëren van een werkelijkheid. Niet een ‘extra’ werkelijkheid, maar een extra dimensie aan ‘de’ werkelijkheid. En die werkelijkheid geldt noodzakelijkerwijs alleen voor degenen die deze werkelijkheid waarnemen en geloven in die waarneming. 

Kunst heeft dus m.i. grote overeenkomsten met het geloof, elk geloof. Voor mensen die in God geloven bestaat God; voor mensen die niet in God geloven bestaat God niet. De Bijbel is het sprekendste voorbeeld van de scheppende kracht van het woord: “Het Woord is Vlees geworden.” Dat is volgens mij wat poëzie doet: wat geschreven staat, bestaat. Het is daarvoor nodig te geloven dat wat geschreven staat, inderdaad bestaat. (Zo bezien had Willem Kloos dat zo gek nog niet gezien, met zijn “’k Ben een God in het diepst van mijn gedachten.”).

 Ik schrijf niet, denk ik, om te proberen een werkelijkheid te maken die ik in het dagelijks leven mis. Of om te proberen een (‘hogere’) werkelijkheid bloot te leggen die er wel is, maar die niet wordt waargenomen. Ik schrijf omdat ik leef. En omdat ik leef, zoek ik.

 Je

 

 (Edwin Fagel)

 

 

 

 

 

 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.