Edwin Fagel. Antwoord van O

Hoi Edwin,

 

Dat klopt natuurlijk niet, wat je zegt. De werkelijkheid van het kunstwerk staat vanzelfsprekend los van ‘de’ werkelijkheid.

 

Het Scheppingsverhaal volgens Michelangelo

Het Scheppingsverhaal volgens Michelangelo

Stel: ik zet de stoel waar ik nu op zit bij de deur. Stel vervolgens dat M. met grote haast mijn studeerkamer binnenkomt, bijvoorbeeld omdat hij de tram wil halen maar zijn portemonnee ligt nog hier, zoiets. Hij zal over de stoel struikelen. En stel nu eens dat ik alleen maar bedenk, of alleen maar opschrijf, dat ik mijn bureaustoel bij de deur neerzet, en dat M. met dezelfde haast mijn kamer zal binnenkomen. We hoeven er denk ik niet over te discussiëren dat hij in dat geval niet over mijn stoel zal struikelen. 

Natuurlijk volg ik je betoog wel. Je zegt dat M. alleen struikelt als hij erin gelooft dat er een stoel voor mijn deur staat, of die nu verzonnen is of niet. M.a.w.: als ik hem zó overtuigend heb verteld dat die stoel er staat, zal hij óók denken dat die stoel er staat en erover struikelen. Dan blijf ik er toch moeite mee houden dat je het zuiver individuele bestaan van je eigen gedachten promoveert tot een algemeen geldend bestaan.

Kijk. Het is natuurlijk waar dat alle waarnemingen uiteindelijk op een bepaalde plek in je hersenen worden verwerkt. Je kunt je dus inderdaad de vraag stellen hoe betrouwbaar die waarnemingen zijn (een vraag waar je trouwens nooit een definitief antwoord op kunt formuleren, omdat dat antwoord uiteindelijk op dezelfde plek in je hersenen terecht komt). Maar dat neemt niet weg dat iets óf bestaat (en dus, op welke manier dan ook, waarneembaar is), óf niet bestaat (en dus op geen enkele manier waarneembaar is). Jij zegt daarentegen: “Iets bestaat zolang je gelooft in het bestaan ervan.” Vergeef me het grapje, maar daar geloof ik niet in. Op die manier bestaat Sinterklaas ook, zolang ik maar stom genoeg ben om te geloven dat Sinterklaas bestaat. 

Is dat wat jij met je poëzie probeert? Mensen te laten geloven? Waarin? In de ‘werkelijkheid’ van je poëzie? Waarom? Wat voeg je daarmee toe aan het leven van je lezer? 

Het lijkt me een onderneming die tot mislukken is gedoemd. Ieder mens leeft in zijn eigen werkelijkheid. Mensen begrijpen elkaar niet, of laat ik zeggen: zelden. Misschien tref je op de honderd lezers inderdaad één ideale lezer die meegaat in jouw werkelijkheid, en die jouw werkelijkheid accepteert als ‘waar’, zoals je zegt. De kans is levensgroot dat hij jouw werkelijkheid op een totaal andere manier begrijpt dan je bedoeling was. (En voor de andere 99 lezers zijn jouw gedichten eenvoudigweg niet relevant voor hun leven.) 

De door jou aangehaalde Bijbel is er wel het overtuigendste bewijs van hoe verschillend een tekst kan worden opgevat. Op basis van alleen de Bijbeltekst is er een veelvoud aan geloofsstromingen. En ook binnen een stroming is het maar de vraag in hoeverre men in hetzelfde gelooft, in hoeverre het concept ‘God’ dat de een aanhangt overeenkomt met het concept ‘God’ van de ander. Er zijn, zou je kunnen zeggen, zoveel geloofsstromingen als gelovigen. Jij zegt: “Voor mensen die in God geloven bestaat God”. Maar wat bedoel je dan nog met de term ‘God’? Daar heeft toch iedere gelovige een eigen interpretatie van? Hoe kun je zeggen dat God (voor gelovigen) bestaat, als het voor iedereen een andere, want persoonlijke God is? Wat bestaat er dan?

Zo is het ook met de werkelijkheid van gedichten, van kunst in het algemeen. Iedereen geeft er zijn eigen betekenis aan. Daarom begon ik over die nieuwsfeiten. Nieuwsfeiten vinden plaats. Er zijn mensen die controleren of de feiten zich inderdaad hebben voorgedaan, en die daar verslag van uitbrengen. Hetgeen je in kunst beschrijft, of laat zien, vindt niet plaats – of hooguit in je eigen hoofd. Het kan dus niet anders of hetgeen je beschrijft is een commentaar op, of een weergave van de werkelijkheid zoals jij die beleeft. Dat is kunst. Het is niet, zoals je zegt, van zichzelf een werkelijkheid. Dat kan gewoon niet. 

Je eindigt je brief met de opmerking: “Omdat ik leef, zoek ik.” Dat klinkt natuurlijk mooi en sympathiek, maar wat zeg je ermee? Wat zoek je, of: waar zoek je naar? God? Zingeving? Een reden om gedichten te schrijven?

Als altijd je

 

O.

 

 

P.S. Ik kan je trouwens Een verbeelde God aanraden, een verzameling essays en beschouwingen over dit onderwerp, onder redactie van Johan Goud. In dat boek vind je een aantal betogen dat lijkt op het jouwe, en meer. Het ‘scheppen’ waar jij het over hebt, heeft ook een destructief karakter. Dat zit al in het scheppingsverhaal, maar je ziet het ook bijvoorbeeld in het werk van Picasso. Om te kunnen creëren, moest hij vernielen, vernietigen. Heb jij dat ook?

 

(Edwin Fagel) 

Bookmark and Share

Comments are closed.