Edwin Fagel. Derde brief aan O.

Beste O.,

Als lezer heb ik niets met de dichter te maken. Als dichter heb ik niets met de lezer te maken. Mij gaat het erom wat de tekst met mij, mij persoonlijk, doet. Het is een intiem contact, dat tussen de tekst en mij. Niemand anders heeft daar iets mee te maken. En om je meteen maar voor te zijn: nee, dat leidt niet tot een al te vrijblijvende omgang met de tekst – integendeel. Juist dit gegeven zorgt er mijns inziens voor dat de dichter er zich rekenschap van moet geven dat hetgeen hij wil zeggen er ook werkelijk stáát. Anders heeft hij het niet gezegd. En dat de lezer altijd argumenten uit de tekst nodig heeft om tot een interpretatie te komen.

Woorden dragen nu eenmaal betekenis. En juist een dichter kan spelen met betekenissen, verbanden; maar – en daarin heb je gelijk – hij heeft er vanzelfsprekend geen invloed op hoe de lezer zijn tekst begrijpt. Daar moet hij zich dan ook helemaal niet mee bezig houden. Zoals de lezer zich niet bezig moet houden met wat de dichter bedoeld kan hebben. Het gaat om de tekst, en de relatie die de tekst met respectievelijk de dichter en de lezer aangaat.

Beste O., denk je nu echt dat ik schreef dat als je iets (een stoel, bijvoorbeeld) bedenkt, dat datgene dan ook direct maar bestaat, ongeacht wie de waarnemer is? Ik heb niet gezegd dat de werkelijkheid van het kunstwerk hetzelfde is als wat we dan maar voor het gemak ‘de’ werkelijkheid noemen. Wat denk je wel. Ik heb willen zeggen dat de werkelijkheid van het kunstwerk (voor mij, maar ik denk ook per definitie) net zo werkelijk is als ‘de’ werkelijkheid. Dat is niet hetzelfde. Beide ‘werkelijkheden’ zijn problematisch, zei ik, er is daarom geen reden om de ene werkelijkheid (‘de’ werkelijkheid) ‘waar’ te noemen, en de andere (die van het kunstwerk) ‘denkbeeldig’. Kunst is wezenlijker dan dat. Het is een zelfstandige werkelijkheid naast ‘de’ werkelijkheid.  

Gerard Reve

Gerard Reve

 Volgens mij heb ik nu wel (voor voorlopig, althans) alles over gezegd wat ik er over te zeggen heb. Ik wil dit gedeelte van de discussie afsluiten met een opmerking uit Gerard Reves Nader tot U. Hij onderbreekt een gloedvolle erotische beschrijving met het tussen haakjes geplaatste: (- Mammie droomt hij dat nou allemaal, of is het echt? – Kind, niet zo zeuren.)

Je stelde in je brief ook nog de vraag, in reactie op mijn opmerking dat ik zoek, wáár ik dan naar zoek. Lastig daar antwoord op te geven. Waarom ervaart iemand kunst? Een begin van een antwoord dan. Er zijn geen zekerheden in dit leven; dat benadrukt deze briefwisseling ook volgens mij. Ik merk dat ik me bezig houd met kunst, en dus ook met schrijven, omdat ik zoek naar ‘houvast’, om het maar eens een beetje pathetisch uit te drukken. Er is weinig tot niets waar ik echt zeker van ben. Van poëzie ben ik zeker; al was het maar omdat ze de onzekerheid onder woorden brengt.

Volgens Vestdijk, in De toekomst der religie, streeft ieder mens van nature naar het ‘totale’ geluk. Dat is het natuurlijk ook: in gedichten, of preciezer: in de (verwoording van de) werkelijkheid zoek ik via de poëzie iets ultiems- wat dat ook moge zijn. Zoals de gelovige streeft naar het eeuwige leven. Natuurlijk weet ik wel dat ik het nooit zal vinden. De hoofdzaak is dat we bezig zijn, om Reve nog eens aan te halen.

Op je vraag naar het geweld dat gepaard gaat met het ‘scheppen’ ga ik in een volgende brief wel in, oké? Zeg tegen M. dat hij uit moet kijken voor loslopende stoelen, en ik spreek jullie allemaal snel weer!

Edwin

Bookmark and Share

3 Kommentare op “Edwin Fagel. Derde brief aan O.”

  1. Louis :

    Hemel, Edwin – watter skitterende stuk teorie is jy nie besig om met jou korrespondensie hier uiteen te sit nie! My Nederlands is helaas nou nie so goed dat ek al die subtiliteite in jou teks kan snap nie, maar ek begin vermoed dat Adorno se “Aesthetics” ‘n belangrike filosofiese onderbou begin vorm? Byvoorbeeld: “Hoe meer kunst door het subject verregaand als een object wordt benaderd en van de intenties van het subject ontdaan wordt, hoe meer het uitdrukkelijk overeenstemt met het model van een niet-conceptuele, niet-afgebakende betekenis van taal.” (Op p.67 van Theodore Adorno, “Esthetische theorie”.) Gaan jy akkoord of klap ek hier na ‘n windbal?
    Dankie vir jou wonderlike bydraes.
    Louis

  2. Edwin :

    Dank je wel Louis. Het citaat ken ik niet, en ik zou de context er even bij moeten zoeken – want zo los zegt het alles wat ik wil dat het zegt. Op het eerste gezicht raakt het citaat inderdaad aan mijn betoog, maar ik vraag me wel af hoe het subject de kunst van de eigen intenties zou moeten ontdoen – en waarom; want van beleving van de kunst lijkt me dan geen sprake meer. Ik ga op zoek, wordt vervolgd!

  3. Louis :

    Gaan kyk ook by hierdie webtuiste, Edwin: http://www.alligatorzine.be/pages/051/zine84.html
    (Terloops, ek beoog om vroeg volgende week ‘n Nuuswekker oor Olsen se pleidooi te plaas …)
    Lekker snuffel.
    Louis