Chris Coolsma. Onbedaarlijk gelach met Driek.

Blaasontsteking, Blueshotel, bonhomme, bourgondisch, circustent, champagne, cigaren uit Kampen, cowboyhoed, Esterhuizen, Frederik van Eeden, Hoeksche Waard, Liechtensteinerette, onbedaarlijk gelach in de nacht, Pekinees, priëel, Rawie, Steakhouse, Wilmink, wolkbreuk.

Deze op het oog cryptische woordenverzameling vat de herinnering samen aan een onvergetelijke gebeurtenis in het gezelschap van een onvergetelijke man.

Het was de natste zomer van de vorige eeuw, de dijkbewaking in de Hoeksche Waard was opgeschaald, en een literair genootschap waarvan  ik de naam vergeten ben, had besloten om Louis Esterhuizen een prijs uit te reiken. Louis vroeg me om in zijn plaats te gaan, het genootschap kon hem niet tegemoetkomen in de reiskosten. Reeds bij onze aankomst bij het festivalterrein in de Hof van Moerkerken in Mijnsheerenland stormde het.  Onheilszwangere onweerswolken pakten zich samen boven de eeuwenoude bomen op het landgoed. Een nerveus zwartharig manneke leidde ons naar een prieel onder krakende kastanjebomen, waar de VIPs onthaald werden. Ik herkende de anderen meteen. De man die mij met spottend lachje ontving met de woorden: ‘Ah, de laureaat’ zag en zie ik in uiteenlopende staten van alcoholisch verval bijna dagelijks langsfietsen in de straat waar ik werk. De ander, meestal in zijn gezelschap te vinden in het beste café van Groningen, de Wolthoorn, zag ik ook vaak. Op de tafel in het priëel dus sigaren van de beste kwaliteit en dito champagne in een koeler. Aan tafel twee onbedaarlijk gevatte dichters, waar zich wat later de derde meest geestige dichter van Nederland bij voegde. Voor ons werd het spitsvondigheden lopen. De alcoholvoorziening zorgde er voor dat ik alles wat gezegd werd helaas vergeten ben, maar de beelden zijn alcoholbestendig gebleken. Ik verzeker iedereen die het niet meegemaakt heeft: meer dan drie uur doorbrengen in het gezelschap van Jean-Pierre Rawie, Driek van Wissen en Willem Wilmink was een bijna fatale aanslag op de gezondheid. Dood door schaterlach, het had me kunnen overkomen.

Het festival begon. De regen viel met duwbakken uit de hemel. De bekende dichters waren al spoedig aan de beurt. Langzaam verkleumend hoorden wij hen voorlezen uit meegebrachte bundels. Voor het eerst luisterde ik bewust naar de sonore stem van van Wissen en zag ik dat hij niet alleen heel geestig kon schrijven, maar ook erg goed kon voordragen. Daar hoorde ik voor het eerst:

Pekinees eten

In China at ik vaak mijn buikje rond,

Maar toen ik eenmaal happig wilde weten

Hoe het gerecht tussen mijn stokjes heette

Kreeg ik als antwoord kort en bondig: hond!


Mijn hemel, ik had zomaar hond gegeten,

Besefte ik verschrikt met volle mond,

Ook omdat ik de smaak best prettig vond

Bekroop mij toch de lust om door te eten.


En toen het mormel mij voor ogen stond

Dat thuis vaak op mijn stoepje had gescheten

En dat ooit na een trap onder zijn kont


Mijn dure broek aan stukken had gereten

En mij vervolgens bloedig had verwond

Heb ik de hond eens lekker teruggebeten.


Wat me nu treft, is hoezeer hij zelf in dit gedicht figureert. Happig, buikje rond, dure broek, ik zie hem voor me in zijn weergaloze kostuum met vlinderstrikje. Ik vermoed dat hij ook bij zijn pyama zo’n strikje droeg, het had hem gepast. Men zegt wel dat dichters een stem hebben. Ik denk daarbij ook altijd aan hun eigen voordrachtsstem. Ik kan dit gedicht niet lezen zonder daarbij de auteur voor me te zien en hem zelf het gedicht te horen voordragen.

Aan het eind van de avond, nadat de ook aanwezige Hans Plomp  (red de paddo!) schaamteloos een plaatselijke dichteres dodelijk had beledigd, ik me voornam om het programmaonderdeel dat ‘open podium’ heet, voortaan koste wat het kost te vermijden (ook als deelnemer), en mijn vrouw over beginnende blaasontsteking begon te klagen, mocht ik dan de prijs voor Louis in ontvangst nemen. De beroemde dichters waren wijselijk allang vertrokken, wat ik niet erg vond. Zo geestig als zij zal ik immers nooit worden. Blij ontving ik een mooi keramieken kistje en een oorkonde, die ik direct terug moest geven, want de organisatie zou er voor zorgen dat Esterhuizen de prijs kreeg.

Wij mochten eindelijk naar het hotel met de aantrekkelijke naam Newland Steakhouse and Saloon, een wolkbreuk verwijderd van de ondergelopen circustent. Onder vervaarlijk schommelende lichtguirlandes vonden we de klapdeuren naar de saloon. Eindelijk warmte. We kregen cowboyhoeden uitgereikt en zagen twee barkrukken vrij naast een rijtje mannen in driedelig kostuum en cowboyhoed. De man naast mij keek op en ik staarde in het grijnzende gezicht van Driek van Wissen, twinkelende ogen onder borstelige wenkbrauwen. Terwijl zich een bronstig taalsteekspel voltrok tussen Rawie en een Leidse literatuurlector, met als inzet een interessante jongedame, genoten wij verder van de scherpte en hartelijkheid van Driek. Bij lange na niet voorzien van het uithoudings- en alcoholopnamevermogen van de Groningse dichters zochten wij amechtig van het lachen onze kamer op.

Een uur of langer later werden we ruw uit onze alcoholische slaap geroepen door een op hoge toon gevoerde discussie over de vraag wie waar bij wie zou gaan slapen. Bij het ontbijt zat van Wissen er frisgewassen en energiek bij, terwijl wij probeerden onze kater en het slaapgebrek met sinaasappelsap te blussen.

Louis Esterhuizen heeft zijn trofee nooit ontvangen. Van Wissen zag ik nog vaak in Groningen, altijd in gezelschap van Rawie, grote sigaren, veel drank en bulderend gelach van omstanders. Nadat hij zo vriendelijk was om de inwijding van een dichtbundel met pleziergedichten voor zijn rekening te nemen met een briljante parodie op de Liechtensteiner, hadden we nog een korte e-postwisseling. Mijn laatste plagende woorden aan zijn adres zijn helaas bewaarheid.

Liechtensteinerette voor Driek

In Groningen krioelt het van de dichters,

Zo blijkt uit NRC en Telegraaf,

En elk verdient een eigen epitaaf

De een iets zwaars, de ander juist iets lichters.


Het uwe zit gebeiteld, al valt het u vast zwaar:

Ook sonettettendichters zijn eenmaal de sigaar.

Bookmark and Share

7 Kommentare op “Chris Coolsma. Onbedaarlijk gelach met Driek.”

  1. Louis :

    Ai, Chris, hoe ver neem jou vertelling my gedagtes hier terug na ‘n vreemde, vreemde tyd toe ek meteens ook ‘n “bekroonde digter” geword het. Wanneer was dit nou weer? 1998 of 1999? Daar iewers. Nietemin, ek dink nog steeds dat my vers darem nou nie só uitstaande was nie; het nog altyd vermoed dat die beoordelaars nie die taal daarvan as “Afrikaans” ge-eien het nie en die vers as ‘n opwindende taal-eksperiment in ‘n obskure dialek van Nederlands beskou het. (Waarskynlik dáárom dat die trofee teruggeneem is toe hulle hul vergissing agterkom en die prysgeld nooit uitbetaal het nie.)
    Hoe ook al. Nogmaals dankie dat jy my tydens dié geleentheid verteenwoordig het en jou kant met soveel oorgawe gebring het … 🙂
    Met waarderende groete,
    Louis

  2. Soekie :

    ‘n Heerlike vertelling, Chris! Maar Soekie soek nou daai gedig van Louis Esterhuizen, asseblief? Kan julle dit hier plaas? Ek wonder wat het van die trofee geword? Dalk was almal daar te beneweld om agter te kom hoe dit voete gekry het!?

  3. Chris Coolsma :

    Soekie, daai gedig van Louis het dalk ‘Oplaas’ gewees, uit Patzers, maar ek is nie seker nie. Ek kan die berigte van daai tyd nie weervind in my argief nie. Opgelos in lug, met prysgeld en trofee. Ek het altyd gedink die prysgeld is gesublimeer in alkohol of dwelms, iewers in die digterswêreld van Suid-Holland. Die trofee is dalk gebruik as projektiel in ‘n egtelike rusie, of verkoop vir meer alkohol of dwelms. Louis s’n hipotese is funnie maar glo my, ek het daai awend vier gedigte as vertaalde gedigte gepresenteer. Ek het ook ‘n kleine lofsang vir Afrikaans gesing. Almal was te beneweld, ja, en ook te baie verstyf, glo. Die storie gaan nog verder. Hulle het Louis uitgenooi vir die volgende festival, nadat ons het geoffer om die tieket te bekostig. Nadat al gereëld is, het hulle die uitnodiging ingetrek. Ek kan nie vergeet hoe ek ‘n bedwelmde voorsitter aan die telefoon hoor seg ek het hom bedrieg nie. Stapelgek, die kêrel. Maar let wel, met Driek saliger het hierdie storie niks van doen nie.

  4. Soekie :

    Chris, Ek het al gehoor van skrywers wat nie ‘n prys in ontvangs wil neem nie en dit weier uit een of ander geloofsoortuiging of om ‘n polities-gemotiveerde idee daar te stel, maar nog nooit van pryse wat net verdwyn into thin air nie! Jou teorie is seker nie ver van die waarheid af nie, maar mens wonder tog of daar ander obskuriteite aangegaan het toe die benewelinge en lagbuie bedaar het… en watter groep het die prys toegeken? Dalk is jy ook ‘n goeie speurder, Chris, om agter die waarheid te kom? Ek hoop Louis plaas sy wen-gedig hier!

  5. Louis :

    Soekie, ek is self nie meer seker watter gedig die wengedig was nie, aangesien daar meer as een gedig ter sprake was. (Daar was ook in hierdie tye ‘n ander poësiekompetisie waarvoor ek ingeskryf het …) Maar, indien ek dit nie mis het nie, was dit die volgende; ‘n gedig wat uiteindelik in “Opslagsomer”(2001: Human & Rousseau) verskyn het. Ek tik dit hieronder oor vir jou leesplesier, maar ai, by die herlees sien ek soveel tekortkominge daarin!
    Mooi bly.
    Louis

    My oë mag vergeet
    mettertyd rugkant na jou draai
    My ore
    mag weldra greep verloor
    jou lag saam met die streling van jou stem
    vir ander klanke
    verruil
    My neus en tong mag selfs
    probeer om hulle ‘n wyle langer
    desperaat te verbeel die kastaiingkleur van jou
    hare die smaak van bloeisels op jou vel
    jou mettertyd vergeet

    Maar my hande sal onthou
    tot in lengte van vreugde die kontoere
    van liefde

    My hande sal onthou

  6. Soekie :

    Dis tog mooi! Baie dankie Louis.

  7. Chris Coolsma :

    Ja, ek stem saam. Ek het die gedig toen vertaal, maar die vertaling het die oorgange van WP na Word 1-2-3 na Mac nie oorleef nie. Vertaal ek hierdie gedig opnuut:

    Mijn ogen mogen vergeten
    zich mettertijd van je afwenden
    Mijn oren
    mogen weldra hun greep verliezen
    jouw lach samen met de streling van je stem
    verruilen
    voor andere klanken
    Mijn neus en tong mogen zelfs
    proberen zich nog wat langer
    de kastanjekleur van je haar
    de smaak van bloesems op je huid
    desperaat te verbeelden
    je mettertijd vergeten

    Maar mijn handen zullen
    tot in lengte van vreugde
    de omtrekken van liefde onthouden

    Mijn handen zullen onthouden
    ***

    Louis is ‘n groot liefdesdigter. Hierdie gedig is my baie lief. So:

    Klaagzang

    geen ogenblik is zo weerloos
    als dat ene, ‘s ochtends, wanneer je
    in het eerste streepje licht

    naar je vrouw kijkt die hier naast je

    in droomstreken dwaalt waar je
    haar nooit kunt volgen –
    maar toch, je houdt haar een tijdje
    vast, en dan: het opstaan,
    het achterlaten

    terwijl haar hand
    nog even afwezig om je duim stulpt, want

    niets is zo blijvend
    als dit afscheid