Chris Coolsma. Hoe het was om jong te zijn. 4 gedichten.

Nadat we de Ankerpunten hadden behandeld, zei dichtertje dat hij intussen gedicht had over een onderwerp dat hem was opgedragen in zijn dichterskring. ‘Ik moest schrijven over de vraag ‘hoe was het om jong te zijn?’  zei hij, toen we gezellig in de lentetuin naar het voedsel- en afvaltransport van kool- en pimpelmezen zaten te kijken. ‘De andere dichters hebben er kritiek op gegeven en daarna heb ik er nog veel aan gehakt, geschaafd en geprutst’. Hij hield zijn hoofd scheef en keek me onzeker aan. ‘Denk je dat de gedichten klaar zijn?’

Terwijl een zwartkop begon te zingen, piekerde ik over die vraag. Omdat ik niet tot een bevredigend antwoord kwam, zei ik maar: ‘als het af is, is het af!’ (Daarbij moest ik zoals altijd onwillekeurig denken aan de bedrijfsleider in de blokfluitfabriek van mijn vader, die bij het aandraaien van moeren en klemmen steevast ‘vast is vast’ zei.) De zwartkop bleef zingen, wat ik een goed teken vond. Gelukkig zijn er altijd nog tekenen waar we ons aan vast kunnen klampen. En de Ankerpunten natuurlijk. Dus controleerde ik het wit, zag ik dat de gedichten een bedoeling hebben, wist ik dat dichtertje zich helemaal open had gesteld en de gedachten had laten stromen, dat hij serieus met de vorm bezig was geweest, en gekreund en gesteund had bij het vinden van ritme en klank. Dus klopte ik hem op de rug en beloofde dat ik ze als kaart op tafel zou leggen.

In het huis van mijn grootvader

In het huis van mijn grootvader
was het zo stil dat ik alleen
de klok hoorde tikken
en mijn oudtante bijna stierf
van schrik bij de onweersflits
die mijn jongensgezicht
als wit dodenmasker van haar
lang geleden overleden broer
in de duistere kamer verlichtte.

In de huis van mijn grootvader
was het zo stil dat alleen al
het tikken van de domme hommel
tegen het glas klonk als bonken
op een trommel. De verte was
daar een torenklok in het dorp
en het loeien van de schroeven
van Harvards die joegen rond
vliegveld Soesterberg, kilometers ver.

Het was daar dat ik leerde
dat het stiller is in een kamer
als de ramen open staan naar
de vogels en de wind.
Daarom speel ik graag piano
met deuren en ramen open
zodat mijn overleden grootvaders
mij ook kunnen horen.

De tuin zweeft in de tijd

In the garden suspended in time,
My mother sits in a redwood chair
Mark Strand, The Garden

Op mijn nagelnieuwe zintuigen
zweef ik door een wereld
die te wijd zit om mijn magere lijf
Ik bezit niets, begeer alles
waarover  de pasgeboren zon
zijn spoor van vernieuwing trekt.

Achter ons verschuilt de nacht
zich in verhalen van mijn ouders.
Ik geloof in het licht van de dag
voor mij, de nacht is van gisteren.

Nog weet ik niet dat alles al oud is
want het ontstaat immers nu, in deze tuin;
alles is nieuw, het ruikt naar
het eerste zaad op zongedroogde lakens.

In de verse avond fluisteren
de volwassenen hun geheimen.

Zwei kleine Italiener

Zwei kleine Italiener
die träumen von Napoli
von Tina und Marina
die warten schon lang auf sie
Conny Froboess, 1962

In de halfdonkere slaapkamer stopt
mijn broer twee ballonnen onder zijn hemd
en betast ze lachend. Ze knerpen.

Zo moeten de zwei kleine Italiener  van Conny voelen,
zegt hij. Maar hoe zouden ze klinken?
Ik kijk naar haar guitige lachje

op de foto boven mijn bed en stel mij voor
hoe ze bemoedigend knikt, maar het duurt nog een jaar
voor het tersluiks zoekend voelen zal beginnen.

Dubbelspiegel

It was impossible to imagine, impossible

not to imagine………

Mark Strand, what it was

De tengere jongen in het familiealbum
kijkt terug naar mij zoals ik naar hem,
nieuwsgierig, met dezelfde ogen.
Hij kent mij niet zoals ik hem
al weet ik niet precies meer
hoe het was om jong te zijn.

Hij dacht soms wel aan mij, hoe
het zou zijn om oud  te zijn.
Gelukkig, hij wist het niet:
onschuld beschermt het kind
en het geweten staat niet voor niets
in de voltooid verleden tijd.

Onschuldig wilde hij wel ouder zijn
maar hij blutste zijn knieën
en stootte zijn neus en hij schaafde
zijn schenen en viel in zeven
sloten tegelijk. Voor het eerst werd hij
bedrogen, voor het eerst bestolen.

Voor het eerst loog hij en verloor
zijn onschuld en voor het eerst
ging het leven gewoon verder.

Nu kijk ik naar hem,
die tengere jongen die nog steeds
in mij leeft, vol verwachting.

Bookmark and Share

Comments are closed.