Chrétien Breukers. René Huigen - Gesneden koek
Toen ik 22 was, maakte ik voor het eerst kennis met de dichter René Huigen, die toen al een hele bekendheid was in de literaire wereld in Amsterdam. Ik keek, moet ik eerlijk zeggen, nogal tegen hem op. Niet alleen omdat hij al gedichten had gepubliceerd in “echte” literaire bladen zoals De Held en De Revisor, maar ook omdat hij het dichtersleven leidde, waar ik alleen van droomde. Veel in het café. Schrijven. Publiceren. En hij was nog heel knap op de koop toe. Kom daar maar eens om die combinatie.
Toen ik Huigen voor het eerst ontmoette, tijdens een vergadering van een van die talloze, als paddenstoelen uit de grond schietende literaire bladen - we hebben het hier over de jaren ‘80 van de vorige eeuw - kwam hij op me af en zei:
Gesneden Koek
Denk niet dus besta niet
ga als wandelende tak op
in een boom
En camoufleer je wijsheid als een boom
die geen boom is, maar de gedachte
aan een boom, vertakt
In de hersenschors, als de gedachte aan
een kameleon die de kleur en vorm
van een bek in de bek van zijn prooi aanneemt
Leg woorden zo in de mond van een mond,
gelijk het droste-effect van iemand
op een koekblik, voor wie oneindigheid
en al wat hem onsterfelijk maken kan
gesneden koek is, terwijl hij sterft aan bloedarmoe
Daar had ik niet meteen van terug. “Mooi gedicht,” mompelde ik. Huigen ging in een van de versleten fauteuils, waarmee de vergaderruimte stond volgestouwd, zitten. Hij deed er de rest van de vergadering het zwijgen toe, op een enkele keer na, toen hij al onze ideeën van opbouwend commentaar voorzag. “Die werken niet. Verzin iets nieuws.”
Toen ik het gedicht later, honderden keren, opnieuw las, bleef het almaar doorklinken. De eerste jaren, eerlijk gezegd, zonder betekenis. Ik vond het gedicht wat betreft klank, ritme en woordkeus bijzonder, kende het van buiten - maar ik wist niet wat het gedicht wilde zeggen. Het was niet meer dan die klank, dat ritme en die woordkeus. Ik kon het opzeggen als een mantra, nee, beter: als een gebed.
Nu, meer dan twintig jaar later, zie ik het gedicht als wat het is: een pleidooi voor poëzie die niet aan bloedarmoe(de) ten onder gaat. Poëzie die authentiek is, eigen. Poëzie die weliswaar op kan gaan in alles, in een dichterlijke mimicry, maar die tegelijkertijd de valkuil van het cerebrale omzeilt, en daarbij gebruik maakt van een aantal cerebrale trucs.
Grote poëzie, van een dichter die een groter publiek verdient dan hij nu heeft. Hij hoeft niets nieuws te verzinnen, hij kan gewoon voortgaan op de ingeslagen weg.






