Alfred Schaffer. Een hartgrondig vloeken

De openingsregel uit een artikel in de Volkskrant van afgelopen week, een citaat van president Barack Obama: ‘De olieramp in de Golf van Mexico zal dezelfde weerslag hebben op de Amerikanen als de aanslagen van 11 september 2001.’

Het enige dat je zou willen doen is vloeken en tieren, maar wat schiet je daar mee op. En wat verbleken de Nederlandse probleempjes en debatjes bij dit tragische nieuws. De wereld is eigenlijk één groot ramptoneel, en hoe verder we komen met onze communicatie, via facebook, twitter en i-phones, hoe meer we hiervan op de hoogte zijn. Van tsunami naar oorlog terug naar een humanitaire ramp als in Haïti.

Op de een of andere manier grijpt het me nog het meest aan als de natuur de dupe is van ons onzinnige bestaan. Erosie, de massale bomenkap, de bio-industrie, het zwerfafval op aarde en buiten de dampkring, het in hoog tempo uitsterven van diersoorten. Waar begin je met de grote schoonmaak – we zijn immers hopeloos te laat. Wat is de mens een knappe kop, denken we nog steeds, met z’n filosofieën en geneesmiddelen, z’n kunstmatige intelligentie en harttransplantaties. Maar boort hij naar olie in kwetsbare gebieden, dan kan hij het lek dat onherroepelijk ontstaat niet dichten. Dan besef je weer hoe je als gewone burger bent gaan rekenen op het vernuft van de knappe koppen: ‘Ze zullen het wel oplossen.’

 

Olie in de golf van Mexico

Olie in de golf van Mexico

Maar het is nu half juni, terwijl in de Volkskrant van 23 april dit jaar al te lezen stond: ‘In de Golf van Mexico dreigt een grote olieramp te ontstaan als gevolg van het zinken van een booreiland van het bedrijf Transocean Ltd. Inmiddels drijft er een oliemassa van ongeveer dertien vierkante kilometer op open zee, zo meldde de Amerikaanse kustwacht donderdag (lokale tijd). “We beschouwen dit als een grootschalige olielekkage,” aldus een woordvoerder van de kustwacht.’

We zijn al maanden onderweg en de olie stroomt en stroomt. En elke minuut wordt er meer zeeleven vernietigd, misschien wel onherstelbaar. Waar staat de dichter dan met zijn poëzie? Helemaal nergens natuurlijk, zoals je aan mensen in het algemeen weinig hebt als het er op aan komt.

Maar alles is beter dan negeren. Een van de weinige Nederlandse dichters die zich in zijn werk onvermoeid en hartstochtelijk bemoeit met de wereld buitenshuis, is de grote dichter H.H. ter Balkt (1938), winnaar van de P.C. Hooftprijs, de Nederlandse Brodsky of Les Murray. Niet lang terug zei hij in een interview met NRC Handelsblad journalist Ron Rijghard: ‘De meeste mensen letten alleen op of het niet bij hun portemonnee inregent. De burger kan beginnen eens meer te dromen. Er was een tijd – ik heb het nu over de tijd van Byron – dat dichters meededen. Dat is mijn droom. Niet om in de voorste rijen met de vlag te zwaaien, maar erbij te zijn, betrokken te zijn.’

 

 

Toen Antjie Krog Ter Balkts meesterwerk Laaglandse hymnen (2003) had gelezen, een driedelige reeks gedichten waarin de dichter de Nederlandse geschiedenis en cultuur onder de loep neemt, riep ze uit: ‘Waarom heb ik nog niet eerder werk van deze dichter gelezen!’ Het zou mooi zijn als een Nederlandse dichter van dit kaliber eens naar het Afrikaans vertaald zou worden.

Ter Balkt is een vurig en virtuoos dichter die lacht en huilt om de wereld, en ook zichzelf en de ‘heilige’ poëzie niet spaart, zoals in een schitterende ballade uit In de kalkbranderij van het absolute (1990):

Ballade van het licht aan deze kant van de tuinen

Ik dacht dat liefde onbestaanbaarheid was

Maar liefde is onbestaanbaarheid

en Ze is ook het enige

Ze zijn nog wakker achter de tuinen,

 

lichten van onbekenden rakelen boven

de stuurse wingerd en de mispelbloem

Je hebt je haar kort geknipt, Je zit

nog lang onder de Lamp en kijkt televisie,

en regen schuifelt door de takken

De lichten branden van de niet gekende

buren, de sigaretten roken boven de

niet gekende asbakken zoals, ja!,

Stil staan al mijn strijdwagentjes van leem,

spitsmuisstil; geschrokken

van het piepen van hun wielen

De radio zingt stilte, Het houttapijt

zwijgt, alleen Dikkie de kleine kat

roept hartstochtelijk omdat zij meewil naar

Bed, En de tuinen zwijgen, En

de grote dichters in hun sarcofagen, Pessoa

naast zijn niet bestaande Taag, Catullus

O het licht aan deze kant van de tuinen

bestaat, Enkele niet bestaande buren, De

mispelboom ontrukt aan zijn hakhoutwal

Ik was koudvuur, Een strijdwagentje uit

2600 v C uit Ur, Als een sperwer breid

ik mijn armen uit op de verdieping,

De nagemaakte heuvel. Ballade van de

liefde, ballade van het licht aan deze kant

van de tuinen, hoe moest ik bestaan

In het derde deel van de Laaglandse Hymnen staat het sonnet ‘Aan de tanker Braer’, dat me weer terug brengt bij de ramp die zich momenteel voltrekt in de Golf van Mexico. Het gedicht gaat over de Liberiaanse olietanker Braer, die op 5 januari 1993 vastliep op de klippen van de Shetland Eilanden bij Schotland. De gevolgen van de lekkage waren rampzalig, maar vallen misschien in het niet bij wat er momenteel aan olie de natuur wordt ingepompt.

Aan de tanker Braer

‘In het Doodgereden Dieren Boek staan

wij, en ontsnap dan, aalscholver en zalm.’

Aan het Doodgevaren Eiland zendt nacht

duistere brieven, strandt de Braer. Stille

klokken, zeeotter, papegaaiduiker,

luiden over jou. Druppelende storm

in het tongewelf van de nacht slurpt

gal die uit de stalen lebmagen stroomt.

Bidsprinkhaan, diep religieus, kraakt met

haar doornige voorpoot schaap en zeehond;

wier en ruiten gevernist door een groot

schilder. Aura’s als halo’s rondom zalm

en grassen. De hand van de roerganger

huilt hard, op de fornuizen kookt gesteun.

De zeehond keert terug in een ander hartverscheurend gedicht. Alhoewel, ‘gedicht’, er zullen mensen zijn die zeggen dat dit geen gedicht is. Maar zo, als gedicht, is het destijds door de Amerikaanse dichter Robert Bly (1926) gepresenteerd. Het staat opnieuw afgedrukt in Hotel Parnassus. Poëzie uit de hele wereld, de jaarlijkse bundel ter gelegenheid van Poetry International, dat dit jaar in het teken stond van het prozagedicht. Robert Bly droeg dit gedicht in 1978 voor, toen hij in Rotterdam te gast was. Gedicht of niet, het is een roerende en intieme tekst.

Nee, onze zonden zijn niet van gisteren of van vandaag. En we zullen niets leren, zo hard is het ook. Hoeveel leed we ook aanrichten, we nemen de risico’s met open ogen, opdat de vooruitgang gevierd kan worden. En geen poëzie kan die vooruitgang stuiten.

Robert Bly

Robert Bly

The Dead Seal Near McClure’s Beach
1
 
Walking north toward the point, I came upon a dead seal. From a few feet away, he looks like a brown log. The body is on its back, dead only a few hours. I stand and look at him. There’s a quiver in the dead flesh. My God he is still alive. A shock goes through me, as if a wall of my room had fallen away.
His head is arched back, the small eyes closed, the whiskers sometimes rise and fall. He is dying. This is the oil. Here on its back is the oil that heats our houses so efficiently. Wind blows fine sand back toward the ocean. The flipper near me lies folded over the stomach, looking like an unfinished arm, lightly glazed with sand at the edges. The other flipper lies half underneath. And the seal’s skin looks like an old overcoat, scratched here and there, by sharp mussel-shells maybe…
I reach out and touch him. Suddenly he rears up, turns over, gives three cries, Awaark! Awaark! Awaark! – like the cries from Christmas toys. He lunges toward me. I am terrified and leap back, although I know there can be no teeth in that jaw. He starts flopping toward the sea. But he falls over, on his face. He does not want to go back to the sea. He looks up at the sky, and he looks like and old lady who has lost her hair.

He puts his chin back on the sand, rearranges his flippers, and waits for me to go. I go.

2

Today I go back to say goodbye; he’s dead now. But he’s not – he’s a quarter mile farther up the shore. Today he is thinner, squatting on his stomach, head out. The ribs show more – each vertebra on the back under the coat is now visible, shiny. He breathes in and out.
He raises himself up, and tucks his flippers under, as if to keep them warm. A wave comes in, touches his nose. He turns and looks at me – the eyes slanted, the crown of his head is like a black leather jacket. He is taking a long time to die. The whiskers white as porcupine quills, the forehead slopes… goodbye brother, die in the sound of waves, forgive us if we have killed you, long live your race, your inner-tube race, so uncomfortable on land, so comfortable in the ocean. Be comfortable in death then, where the sand will be out of your nostrils, and you can swim in long loops through the pure death, ducking under as assassinations break above you. You don’t want to be touched by me. I climb the cliff and go home the other way.

 

so comfortable in the ocean

so comfortable in the ocean

De dode zeehond in de buurt van McClure’s Beach

1

Op een wandeling naar de landpunt, noordwaarts, stuitte ik op een dode zeehond. Op een paar meter afstand ziet hij eruit als een bruin stuk hout. Hij ligt ruggelings, nog maar enkele uren dood. Ik blijf ernaar staan kijken. Er gaat een huivering door het dode vlees. Mijn God hij leeft nog. Ik ben geschokt als was er een muur uit mijn kamer weggevallen.

Zijn kop ligt achterover, de kleine ogen zijn gesloten, zijn snorharen bewegen soms op en neer. Hij ligt te sterven. Dit is de olie. Hier aan zijn rug zit de olie die onze huizen zo efficiënt verwarmt. Wind blaast fijn zand naar de zee terug. De vin aan mijn kant ligt over de buik gevouwen en lijkt op een onvoltooide arm, aan de randen dun geglazuurd met zand. De andere vin ligt half onder hem. Het vel van de zeehond ziet eruit als een oude overjas, hier en daar bekrast, door scherpe mosselschelpen misschien…

Ik strek mijn hand naar hem uit en raak hem aan. Plotseling richt hij zich op, draait zich om en uit drie kreten, Awaark! Awaark! Awaark! – als kreten van stukken kerstspeelgoed. Hij werpt zich in mijn richting. Ontzet spring ik achteruit, ofschoon ik weet dat er in die kaak geen tanden kunnen zitten. Hij begint zich in de richting van de zee te werken. Maar hij valt voorover, op zijn bek. Hij wil niet meer terug naar de zee. Hij kijkt omhoog, naar de lucht, en hij is als een oude dame die haar haren kwijt is.

Hij legt zijn kin terug in het zand, schikt zijn vinnen opnieuw en wacht af tot ik zal gaan. Ik ga.

2

Vandaag ga ik terug om afscheid te nemen; nu is hij dood. Maar nee – hij ligt een paar honderd meter verderop langs de kust. Vandaag is hij magerder, liggend op zijn buik, de kop vooruit. Zijn ribben steken verder uit – elke rugwervel onder de huid is nu zichtbaar, glanzend. Hij ademt in en uit.

Hij richt zich op en stopt zijn vinnen onder zich, als om ze warm te houden. Een golf rolt aan en raakt zijn neus. Hij draait zich om en kijkt naar me – met scheve ogen, de kruin van zijn kop is als een zwart leren jasje. Hij doet er lang over, over het sterven. Zijn snorharen zijn wit als de stekels van het stekelvarken, zijn voorhoofd helt… vaarwel broer, ga onder in het geluid van de golven, vergeef ons als we je hebben gedood, lang leve je ras, je binnenbandras, zo onwennig op het land, zo thuis in de zee. Wees dan thuis in de dood, waar het zand uit je neusgaten verdwenen zal zijn, en je in lange lussen door de zuivere dood kunt zwemmen, duikend waar de moordaanslagen boven je losbreken. Je wil niet dat ik je aanraak. Ik beklim de rots en ga langs een andere weg huiswaarts.

(vertaling: Margriet Poort)

Bookmark and Share

Comments are closed.