Chris Coolsma. Brief aan Marcel Proust.

Het tweekoppige monster Tijd

Hier in Nederland is het hoogzomer. Na een winter met een lang vergeten heftigheid en een koud voorjaar met niet aflatende winden uit het poolgebied is een klein hittegolfje het land binnengestroomd, opdat wij de wonderbaarlijke belevenissen van het Nederlands Elftal buiten kunnen meebeleven. Het is tijd voor vakantie. Het is tijd voor lange avonden in de tuin, voor dikke boeken en landerige gesprekken, voor het wachten tot het allerlaatste liedje van de zwarte vogel heeft geklonken en de vleermuizen hun fractals gaan vertonen. Het is tijd om van de lijn af te gaan. Dat doe ik met een brief aan Marcel Proust. Die heb ik al een tijdje liggen, maar ik moest er aan denken doordat we een mogelijk reisje naar Noord Frankrijk bespraken. Voorlopig blijven we nog hier, maar in gedachten reizen we naar de Atlantische kust en naar die streken die niet meer bestaan, behalve in de bedwelmende verhalen van Proust. We gaan tijd herwinnen.

Hooggeachte Proust, ergens op weg in het aarzelend op kleur komende lege landschap tussen mijn woonplaats, waar net de kiem van deze brief was ontsproten, en de stad die mij altijd ongeveer halverwege begint te wenken met zijn trotse oude torens, maar meestal meer nog met het werk en de mensen die me daar elke dag weer wachten – gesymboliseerd door het ranke torentje van het Academiegebouw dat me met zijn carillon dagelijks structuur geeft omdat het een college of vergadering aankondigt, of die juist totaal overhoop gooit door een melodie die mijn werk verstoort omdat ik er wel naar moet luisteren, wegzinkend in de herinneringen die bij elke melodie horen –  dacht ik na over de kracht van de emoties die mij overvielen bij het opsnuiven van de geur van het vergeelde boek dat ik een uur daarvoor in een ingeving van de plank trok, op zoek naar een romanfiguur waar ik voor, over of aan zou kunnen schrijven, een romanfiguur die mijn voorkeur heeft omdat ik hem nooit meer heb kunnen vergeten, omdat hij mijn leven heeft veranderd doordat hij mij kennis liet maken met mijzelf, met mijn romantische geest, die nooit genoegen neemt met het nu, maar dat nu met ongeneeslijke heftigheid kleur en betekenis tracht te geven door zowel terug te verlangen naar gelukzalige momenten in het verleden, als verbeelde gelukzalige momenten in de toekomst.

Het was de schuld geweest van Samuel Beckett. Deze woordkeuze zou hij mij nooit vergeven, omdat het zijn opzet niet was toen hij zijn boekje schreef, maar laat ik dan zeggen dat hij de oorzaak is geweest, want dat ik u nu schrijf komt toch echt doordat hij een essay schreef over uw roman, een essay dat ik kocht in 1977 omdat iemand het aangeprezen had en dat daarna grotendeels ongelezen op de plank heeft gestaan, mij onvriendelijk aanstarend – net als al die andere boeken met essays die ik als snobistische hebbedingen kocht, ik bedoel de tientallen Aulapockets,  maar ook Gödel Escher Bach, Herfsttij der Middeleeuwen, Musicophilia, A Distant Mirror, De verborgen gechiedenis van Parijs, A Reader’s Guide to James Joyce, beschouwingen over Camus en Sartre, allemaal half gelezen en nog niet voor een tiende begrepen –  omdat ze te moeilijk bleken om zonder moeite te bevatten en daarom door mij verwaarloosd en uiteindelijk genegeerd zijn zodat ik vaak hoop dat ik na mijn pensionering de zeeën van ruimte en tijd zal vinden die ik nodig heb om ook boeken die hun geheimen niet onmiddellijk prijsgeven, zin voor zin te lezen en tot me door te laten dringen, hopend dat ik de verloren tijd kan inhalen, hopend, ja, wat hoop ik eigenlijk als ik boeken lees, of essays over boeken, wat brengt me tot lezen en wat bracht U tot schrijven – is dat niet de vraag waar uw reusachtige boek over gaat en dat het beantwoord heeft doordat het geschreven is en daarna voorgoed gelezen zal blijven?

Ik zag het essay staan tussen Molloy en Mosby’s herinneringen (van Saul Bellow, waar ik eigenlijk naar op zoek was omdat ik dacht dat ik misschien over Herzog zou kunnen schrijven, het eerste boek dat ik aan mijn toekomstige vrouw heb voorgelezen, hoofdzakelijk in bed, sindsdien vinden we het allebei heerlijk als ik een boek voorlees in bed) maar daar stond dus dat essay van Samuel Beckett en even later had hij mij te pakken, eerst met de toevallig opgeslagen geniale zin: ‘Proust had een slecht geheugen’, daarna met de adembenemende observatie dat het individu de zetel is van een voortdurend proces van overgieten van het ene vat, dat de stroperige bleke monochrome vloeistof van de toekomst bevat, in het andere vat, dat de vloeistof bevat van het verleden, veelkleurig gistend door de verschijnselen van zijn uren.

Ik las dit nadat ik de eerste zin van deze brief onderweg in het lege land bedacht had en ik begin nu te geloven dat deze zin van Beckett in mij is blijven voortbestaan en geleidelijk betekenis heeft gekregen, zoals ook muziek eerst weliswaar geleerd maar onbegrepen in de hersenen kan doorgroeien tot de dag dat de noten hun zeggingskracht opeens wel blijken te hebben gekregen. Het is juist het inzicht dat Beckett onder woorden brengt, dat me van uw boeken was bijgebleven, of ik moet zeggen, het onblusbare verlangen om het geluk op dit moment te beleven en voorgoed vast te kunnen houden, een verlangen dat bij het leven hoort als ademen omdat het nu eenmaal niet vervuld kan worden. Het overkomt ons simpelweg en alleen als we er ontvankelijk voor zijn, het ontglipt ons terwijl we het beleven en daarna zijn we opgescheept met het verlangen om het terug te vinden.

We zijn allemaal verslaafden, dat begreep ik ook wel uit uw boeken, omdat we ons hele leven lang op zoek zijn naar iets dat we al weer kwijt zijn als we het eindelijk denken gegrepen te hebben.

Toch dacht ik helemaal niet meer aan Beckett, daar in de kale vlakte tussen mijn woonplaats en de stad waar ik werk, ik was opgewonden door alle herinneringen die de geur van uw eerste boek bij me tot leven had gewekt, herinneringen die een veelkleurig mengsel waren van beelden uit Noord Frankrijk, van de stadjes en dorpen waar we tientallen jaren achtereen in onze vakanties doorheen trokken, en van beelden uit mijn studententijd, de tijd waarin ik ruwweg de eerste helft van uw boek gelezen heb, omdat er nog niet meer in vertaling te krijgen was, maar ook omdat ik ondanks mijn veel te lange studieduur toch al afgestudeerd was toen de latere delen in vertaling begonnen te verschijnen. Op weg naar mijn werkstad was ik zo beurtelings in mijn woonwijk in het Zuiden van Amsterdam, waar ik de boekhandel in de Scheldestraat betrad, opgewonden van het vooruitzicht om het volgende deel van het boek te kunnen inzien, en in de lome zomerwarmte van het Noordfranse heuvelland, dat zich aan mij voordoet als een eindeloze reeks van schijnbaar totaal verlaten dorpjes en stadjes met verminkte kerken, platanenlanen en een oorlogsmonument.

Dat is dan ook de reden om u te schrijven, want daar in dat lege landschap, onderweg tussen herinneringen en vooruitzichten, was ik gelukkig en dat alleen door het lezen van een paar zinnen in het eerste deel van uw boek, die me verbonden met mijn eigen gelukkige dagen in Noord Frankrijk en in Amsterdam, die dagen die vanzelf vervuld raakten met boeken en landschappen, landschappen in boeken en het lezen van boeken in landschappen, in de schaduw van pratende populieren op een dorpscamping, of in de schaduw van een parasol op de oever van een meertje, of in de schaduw van een dorpskerk op een kerkhof waar we uitrustten van onze wandelingen, maar tegelijkertijd ook dagen die zwanger waren van onze toekomst, heel letterlijk zwanger, omdat ons kind zich daar meldde met de meest ontroerende beving die ik in mijn leven heb meegemaakt: de buikbeving van je vrouw die wakker geworden is in de schaduw van de zomermorgen in een kleine tent, je hand pakt en fluistert dat je nu moet voelen hoe het kind schopt.

Welke zinnen, wilt u nu weten. Het antwoord is ontwijkend maar toch precies: alle zinnen waarin u het landschap van uw jeugd beschrijft in het besef dat u die jeugd al verloren heeft, het arcadische landschap waarin de geliefde voor het eerst verschijnt, dat u om die reden later zo precies wilt beschrijven dat ze weer tot leven gewekt wordt. Waar u in slaagt, voor ons lezers, zodat ook wij die geliefde voor het eerst zien en vervuld worden van verlangen om haar aan te spreken en nooit meer uit het oog te verliezen. Ik volsta met een zin die ik vond op de website van Illiers-Combray, maar ik zou ‘Combray’ niet lang hoeven doorzoeken om al die andere zinnen aan te kunnen halen.

Op een wonderbaarlijke, warme dag gingen mijn ouders zich opfrissen in de stroming van de heldere baai van de Vivonne. Zij stonden mij toe om er op mijn eentje op uit te gaan. Ik ging naar het kasteel van Mirougrain. Het was geheimzinnig en vreemd, met zijn stenen afkomstig van hunnebedden. Dit huis trok me aan, het leek op een spookhuis, waarover talloze legenden de ronde deden. Ik  hoorde zachte muziek die me betoverde en mij in een diepe slaap stortte. Bij het ontwaken ontwaarde ik op enkele meters afstand een jonge vrouw met een nadenkend gezicht die uit een andere wereld afkomstig leek.

Ze was schitterend.

Ik dacht dat ik droomde.

Spoedig vernam ik dat ik mejuffrouw Vintueil had ontmoet’.

Ik zal u mijn leven lang dankbaar blijven voor de evocatie van mijn puberteit en mijn eerste liefdes, ook al hebt u me met dit geluk ook in een moeite door de vloek van de vergetelheid duidelijk gemaakt. Dat de Tijd een tweekoppig monster van verdoeming en verlossing is, zoals Beckett schrijft, verschaft de zoete herinneringen aan het eind van mijn jeugd ook een bitterheid die me wel eens bang maakte om verder te lezen, maar waarvan ik nu weet dat ook die op zich weer bron kan zijn van geluk, zoals veel grote kunst ons leert.

Uw bewonderende en dankbare

C.

Bookmark and Share

Comments are closed.