Yves T’Sjoen. Lees maar, er staat meer dan de tekst (10) Paul Snoek en Maurice Gilliams

Paul Snoek en Maurice Gilliams

Zielsverwantschap of zelfprofilering van een ouder wordend dichter (deel 1)

1. Gedichten voor Maurice Gilliams

Willem Elsschots gedichten ‘Van der Lubbe’, opgedragen aan Simon Vestdijk, en het nog meer gecontesteerde ‘Borms’, dat de schrijver eerst van een opdracht aan Louis Paul Boon wilde voorzien, zijn uitvoerig becommentarieerd. Niet alleen de titel van gedichten maar ook de opdrachten, waarin een expliciete naamsvermelding voorkomt, bieden de mogelijkheid van een referentiële inkijk. Zo hebben Leonard Nolens en H.H. ter Balkt elk een gedicht gepubliceerd met de titel ‘Hans Faverey’. Het spreekt voor zich dat de keuze voor een nominale peritekst de blik van de lezer in een poëticale richting stuurt of toch vooral uitnodigt tot een poëticale lezing van de tekst.

Maurice GilliamsIn de Vlaamse poëzie van de vorige eeuw zijn tal van gelegenheidsgedichten verschenen met een opdracht voor Maurice Gilliams (1900-1982). Een verkenningstocht leverde twee categorieën van auteurs op. Bevriende generatiegenoten, zoals Jef de Belder, Gaston Burssens en Maurice Roelants, hebben gedichten geschreven die aan Gilliams zijn opgedragen. Daarnaast zijn er de jongere tijdgenoten die de oudere dichter een eerbetoon brengen of zich wensen te profileren in het eigentijdse poëzielandschap met een opdrachtgedicht. In die laatste groep valt de aanwezigheid van de Antwerpse Pink Poets op. Net als Marnix Gijsen, Karel Jonckheere, Ivo Michiels, Renier van der Velden en Paul de Vree droeg Gilliams de titel van ere-Pink Poet. Medeoprichter van de vereniging Nic van Bruggen, de ‘eerste gouverneur’ Hugues C. Pernath en gewoon lid Paul Snoek hebben in de jaren zeventig, door citaten op te nemen of een opdracht bij eigen teksten, expliciet gerefereerd aan het werk van Gilliams.

J.L. de Belder, uitgever van Colibrant, publiceerde in het Gilliams-nummer van Dietsche Warande en Belfort (1974) het gedicht ‘Meester en dienstknaap’. Gaston Burssens droeg gedicht ‘XXII’ van de bundel Adieu (1958) op aan Gilliams. Maurice Roelants componeerde zelfs twee opdrachtgedichten voor de Antwerpenaar: ‘Grijs in het groen’ (gebundeld in Vuur en dauw, 1965) en het ongepubliceerde ‘Dapper betrouwen’ (Van Melle 2006: 211). Van Hugues Pernath verscheen in diens overlijdensjaar het gedicht ‘Aan Maurice Gilliams’ (1975), met de beginregel “Ook ik dool, als een verdwaald personage” (Pink Editions & Productions, Antwerpen). Nog voor de oprichting van het Pink Poet-genootschap (1972-1982) nam Nic van Bruggen een citaat van Gilliams op in de afdeling ‘Lascivia animi’ van de bundel Een kreet van hoog allooi (De Galge, Brugge/Antwerpen, 1970). Vermeldenswaard is ook de afdeling ‘als liefde in dit nul uur’ van Marleen de Crée in de door Colibrant uitgegeven bundel In between (1978). De gedichtenreeks is opgedragen “aan Maurice Gilliams”. De tweede cyclus in Brieven aan Plinius, in de editie opgenomen in de verzamelbundel Over de brug der aarzelingen. Gedichten 1969-1989 (1990), heeft als motto een fragment uit Gilliams’ eigen beheer-uitgave De flesch in zee (1929). De lijst met Gilliams-opdrachten in de Nederlandstalige poëzie is hier verre van exhaustief. Marleen De Crée

Naast beide groepen, met respectievelijk de vrienden en de jongeren die tijdens Gilliams’ leven een hommagegedicht aan de bij leven gefêteerde bard opdroegen, kunnen met wat verbeeldingskracht nog twee categorieën worden onderscheiden. Er zijn de schrijvers die na de dood van Maurice Gilliams een essay hebben gepubliceerd waarin diens werk centraal staat. Ik denk aan de wijze waarop oudere en jongere dichters en romanciers een eigen beeld hebben naar voren geschoven van Gilliams’ poëzie: J. Bernlef, Geert Buelens, Hubert van Herreweghen, Stefan Hertmans, Mark Insingel, Karel Jonckheere, Ivo Michiels, Erwin Mortier, Charlotte Mutsaers, René Puthaar, Willy Spillebeen, H.C. ten Berge, Paul de Vree, Anton van Wilderode, Paul de Wispelaere… et j’en oublie. Bij mijn verkenning viel daarnaast op dat Nederlandstalige dichters, van wie je zou kunnen verwachten dat zij wel ergens in hun poëtische oeuvre een opdracht voor of een fragment uit het oeuvre van Gilliams hebben opgenomen, heel nadrukkelijk nergens de naam laten vallen: Christine D’haen, Luuk Gruwez, Stefan Hertmans, Hans ten Berge con suis. Factoren als literaire vadermoord, maskering van eventuele poëticale invloeden en andere kunnen hierbij een rol hebben gespeeld.

Het mag op grond van mijn turven van enkele tientallen dichtbundels duidelijk zijn dat de naam Maurice Gilliams een spoor heeft getrokken door de poëzie van Vlaanderen (en in sommige unieke gevallen ook van Nederland). In de peritekstuele vermelding, zowel in de motto’s als in de opdrachten bij gedichten, schuilt telkens weer een particuliere beeldvorming van of een visie op Gilliams’ werk. Menigvuldig kunnen de beweegredenen zijn die een schrijver ertoe hebben aangezet een referentie aan een collega-dichter bij een eigen tekst op te nemen. Het onderzoek naar de relatie tussen een dergelijk paratekstueel gegeven en het daarop volgende gedicht kan interessante bevindingen opleveren. Ze kunnen van literatuurhistorische aard zijn, zoals in het geval van Elsschot, maar ook poëticaal en institutioneel levert een lezing met inachtneming van de peritekst (titel, opdracht, motto) een specifieke kijk op.

Uit het rijk geschakeerde corpus met gedichten waarin ad hominem een opdracht aan Gilliams voorkomt, selecteerde ik voor deze verkennende beschouwing in twee delen ‘Eenmondig gedicht’ van Paul Snoek.

2. Paul Snoeks gedicht voor Gilliams

Paul SnoekNa het vitalistische poëtische drieluik, met Hercules (1960), Richelieu (1961) en Nostradamus (1963), volgde in de dichterlijke ontwikkeling van Paul Snoek (1933-1981) een fase waarin verbittering en vereenzaming gethematiseerd zijn. Exponent van deze zwart-romantische belijdenisliteratuur is Zwarte Muze (1967). Snoek achtte aan het eind van het decennium de tijd rijp een voorlopig eindpunt te zetten en zich voortaan te richten op verhalend proza en plastisch werk. In 1969 verscheen Gedichten 1954-1968, na Renaissance (1963) de eerste thematische ‘zelfbloemlezing’, drie jaar later gevolgd door Gedichten 1954-1970. In de tussenliggende jaren gaf hij alleen Gedichten voor Maria Magdalena (1971) uit, waarvan zes gedichten al eerder in respectievelijk Richelieu en Zwarte muze zijn gebundeld, alsook twee bundels met satirische Gedrichten (1971).

In de jaren zeventig, nadat eerst enkele “nagelaten gedrichten” bibliofiel zijn uitgegeven in een van zes zeefdrukken voorziene map Frankenstein (1973), heeft Snoek nog één enkele dichtbundel gepubliceerd. De negen gedichten in de bibliofiele uitgave Ik heb vannacht de liefde uitgevonden (1973), verschenen in een oplage van vijftig exemplaren en met drie gouaches van de hand van Snoek, zijn in een gewijzigde compositie opgenomen in Welkom in mijn onderwereld (1978). Anne Marie Musschoot spreekt van een “nieuwe periode” in Snoeks schrijverschap – een nieuw begin en de terugkeer naar de in wezen romantische vroege poëzie, zoals de debuutbundel Archipel (1954) – en Herwig Leus typeerde de bundel als “een van de schrijnendste en ontroerendste lyrische bundels in de moderne Nederlandse literatuur”. Musschoot wijst in haar profielschets op de aanwezigheid van minder esthetiserende beelden, een grotere objectivering en de keuze voor het klassieke vers. Zij bestempelt Welkom in mijn onderwereld als een staal van sobere en verstilde lyriek van een ouder wordend dichter waarin de belijdenis van eenzaamheid en vervreemding een prominente rol krijgt toebedeeld. In het jaar van Snoeks overlijden is alleen nog de bibliofiele bundel De zangen van Lesbos verschenen (met etsen van de belangrijke Belgische kunstenaar Jef van Tuerenhout) en postuum Schildersverdriet (1981, in een tekstuitgave door Paul de Wispelaere).

Snoeks terugkeer naar de literaire traditie en een klassieke prosodie wordt onder meer geëxpliciteerd in de keuze voor de opdracht bij ‘Eenmondig gedicht’. Welkom in mijn onderwereld omvat vier cycli en dit gedicht maakt samen met ‘Winterverhaal’, ‘Gedicht voor de middeleeuwen’, ‘Boomgedicht’, ‘Ik weet het mensen’, ‘Witgedicht’ en ‘Vergedicht uit het noorden’ deel uit van de afsluitende afdeling ‘Overwintering in de verkeerde iglo’. Naast zes andere gedichten is ‘Eenmondig gedicht’ als laatste van de reeks voorgepubliceerd in Dietsche Warande en Belfort (juli-augustus 1977). Uit de gewijzigde compositie van de gedichten in Welkom in mijn onderwereld, oorspronkelijk gepubliceerd in Ik heb vannacht de liefde uitgevonden en in de vermelde aflevering van DW&B, blijkt Snoeks aandacht voor de architectuur van gebundelde poëzie en, zoals in de verzamelbundels na Renaissance, diens behoefte aan een thematische clustering van teksten.  In Welkom in mijn onderwereld hebben twee gedichten een opdracht: ‘Eenmondig gedicht’ (opgedragen aan Maurice Gilliams) en ‘Vergedicht uit het noorden’ (Joost de Wit). Het is geen toeval dat Snoek refereert aan de schrijver van Bronnen der slapeloosheid, de laatste gedichtenreeks die tijdens Gilliams’ leven is verschenen. De negendelige cyclus, met onder meer het klassieke gedicht met de beginregel ‘Wolvin en wolf in ’t winters ledikant’, is autofictionele belijdenispoëzie waarin het ik zich overlevert aan een pijnigende zelfanalyse. Gilliams geldt als een romantisch schrijver die in uitgepuurde (“autonomistische”) en elegisch getoonzette gedichten onderzoek verricht naar de condition humaine van het vereenzaamde individu.

Maurice GilliamsDe opdracht in Snoeks gedicht is een expliciete indicatie, eventueel de (zelflegitimerende) expositie, van een correspondance littéraire. Door de schrijversnaam onder de titel op te nemen, eerst in de prepublicatie en later ook in de bundeluitgave, erkent Snoek de verbintenis met een gezaghebbend auteur die op het eind van zijn leven tot de canon van de Vlaamse poëzie wordt gerekend. Voor ik in een volgend deel van mijn beschouwing betekenis tracht toe te kennen aan de schrijversopdracht, citeer ik ‘Eenmondig gedicht’.

 

Gedronken uit besneeuwde glazen,

koel is de wijn van de vriendschap.

Aan onze lippen morrelt wel de dorst

maar de dood deinst terug in een rolsteen.

 

Zoals de zee eens zeewaarts zal verdwijnen,

zo nemen onze monden hun woorden terug.

In het rijk van de droogte, ik kalfater het water

en in het duister ik betover de klaarte.

Al mijn zwarte woorden heb ik kwijtgeschreven.

 

Er liggen nog veel sterren in je bed.

Hun lichtjaren flikkeren onophoudelijk,

als de bevroren lampen uit de verte. Slaap,

als bij nacht. Als je droomt ben je veilig.

 

Noot: deel 2 komt over enkele dagen online.

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Yves T’Sjoen. Lees maar, er staat meer dan de tekst (10) Paul Snoek en Maurice Gilliams”

  1. Hans Kleiss :

    Leonard Nolens in Woestijnkunde.
    Zie website http://www.mauricegilliams.nl (knop publicaties)

    Mvg, Hans Kleiss