Jan Pollet. Typetje Pessoa

[fragment]

Toevallig, terwijl ik mijn papieren aan een bepaalde orde wou beginnen onderwerpen,
stuitte ik op de kleurenprent uit mijn kinderjaren.
Het idyllisch ruraal tafereel
Het eenvoudige idyllisch ruraal tafereel zelfs
waarin ik avond na avond nieuwe details ontdekte.
(Het overzichtelijke biedt het voordeel dat het een onvermoede schat aan verrassingen herbergt.)

En nu ik de prent bekijk
met de oude ogen van een andere man
merk ik op dat het herderinnetje op de landweg
haar wit kapje verloren heeft
en vanaf nu met wapperende haren door het leven gaat.
En de knecht die het hooi op de riek neemt
denkt: “Ik ben geboren in een tijd dat de meeste jongeren het geloof in God hadden verloren, om dezelfde reden als de ouderen het hadden gehad – zonder te weten waarom.

Een witte zon staat in de rechter bovenhoek
Een stralend blauwe hemel bestrijkt bescheiden de horizont.
Het stereotiepe plaatje zoals het opgeslagen ligt
in de herinnering van kinderen en ouders,
Zoals het al vorm krijgt in ongeboren leven, verder leeft in dode vormen.

Kijk daar, volg mijn vinger, leunt George Oppen uit de boerenkar.
De geur van het hooi maakt hem dronken
van nostalgie naar een tijd die voorgoed voorbij is.
Nooit zou hij kunnen geloven dat hij over veertig jaar zal schrijven:

Of being Numerous

I

There are things
We live among ‘and to see them
Is to know ourselves’.

Occurence, a part
Of an infinite series,

The sad marvels;

Of this was told
A tale of our wickedness.
It is not our wickedness.

‘You remember that old town we went to, and we sat in the
ruined window, and we tried to imagine that we belonged to
those times – It is dead and it is not dead, and you cannot
imagine either its life or its death; the earth speaks and the sala-
mander speaks, the Spring comes and only obscures it -‘

De toekomst zou de toekomst niet zijn als hij zich niet reeds
in deze kleurenprent had verstopt.
Meer zelfs: het echte leven heeft bezit genomen van deze afbeelding
die uit een stille droom geschapen is.

Ach wat doet het er toe.
De droom is de jas van het echte leven.
De toekomst is de paraplu boven de regen
die gisteren de straten van de stad schoonveegde.

En mijn lichaam is de envelop
die dit gedicht naar zijn bestemming brengt
De nachtwinkel waar iedereen vroeg of laat komt.
Niemand weet wanneer.
Zelfs niet ongeveer.

(Geregeld zal ik in deze experimentele reeks nieuwe dichters-typetjes brengen. Deze typetjes zijn tot mislukken gedoemde pogingen om het poëticale bolwerk van een geliefd en bewonderd dichter binnen te dringen. De methodiek is het paard van Troje.  Als het lezen van de gedichten niet meer volstaat, blijft er weinig anders over dan de dichterskern binnen te glippen en van daaruit verborgen zonnestralen te ontdekken.  Kans op slagen is nihil, en dat is maar goed ook. Wie te dicht bij de zon rondhangt, et cetera. Dit zijn zeker geen pastiches zoals Paul Claes destijds pleegde op Richard Minne, Guido Gezelle, …. Ze neigen eerder naar de typetjes die Van Kooten en De Bie in de jaren 80 neerzetten maar dan zonder karikatuur of parodie in de buurt.)

Bookmark and Share

3 Kommentare op “Jan Pollet. Typetje Pessoa”

  1. Ivan Mocke :

    Jan, ek verstaan nie mooi wat jy hier bedoel met “typetje” nie? Is dié gedigte ‘n nabootsing van Pessoa of vertalings? Die laaste gedig is volgens my ‘n briljante vers en indien dit ‘n vers van jou is, verdien jy moerse applous. Welgedaan!

  2. jan Pollet :

    Dit gedicht is geen vertaling, Ivan, maar door mij geschreven. Door iemand na te doen en zijn typische tics te accentueren creeer je – wat we in het Nederlands noemen – een typetje. Het komt vaak neer op een karikatuur of zelfs een parodie. In deze reeks probeer in de huid van dichters te kruipen die ik zeer intens gelezen heb, niet om ze te parodiëren, imiteren, of als epigoon, maar meer om door te dringen in onontgonnen gebieden. Het gedicht is dus zeker Pessoaans van sfeer. Maar een vertaling is het niet, nee. Voor alle duidelijkheid : de schuingedrukte passage ‘ik ben geboren…’ is de openingszin van ‘Het Boek der rusteloosheid’. Een openingszin die mij, als 20-jarige, letterlijk van mijn stoel deed vallen.

  3. Ivan Mocke :

    Dankie, Jan. In Afrikaans het ons ongelukkig nie ‘n sterk tradisie van “typetjes” nie, alhoewel DJ Opperman met groot sukses ‘n reeks satiriese verse “Met apologie” geskryf het in die styl van sy tydgenote. Die bronteks wat hy gebruik het, was die volgende:

    Op ‘n Sondagmiddag loop die weduwee Viljee
    in swart geklee
    met twee kolliehonde langs die see.

    Daarna is daar draak gesteek met die volgende digters:

    I.D. DU PLESSIS:
    My twee windhonde draf
    soos fezze langs die see;
    ek vra Ali en Allah af
    waar is meneer Viljee?

    W.E.G.LOUW:
    Droef kyk my oë
    deur die trane heen,
    soos amandelbloeisels
    deur die eerste reën;
    ek rou oor die duine,
    my bleek hande waai,
    en ‘n hond byt sy stert, soos hy draai, soos hy draai…

    N.P. VAN WYK LOUW I:
    O God! langs U skriklike water
    stap die weduwee Viljee
    met die weet: die waan en die waansin word later
    twee honde wat draf waar sy tree.

    N.P. van Wyk Louw 2:
    Op ‘n Sabbatmiddag
    (die dag is goed)
    lê la veuve de Villiers
    die heilige snol
    bo die boulevard
    (a) aarselende om te kies
    effens be-swaard
    tussen twee kol-lies(te)

    UYS KRIGE:
    O wee,
    o wee,
    in swart geklee
    op ‘n Sondagmiddag
    loop die we-
    duwee
    Viljee
    met twee,
    net twee
    kolliehinde langs die see,
    die see,
    die see…

    ERNST VAN HEERDEN:
    In lanferwimpels tree,
    haar wandelstok ‘n swaard,
    die weduwee Viljee
    in grandiose vaart
    verby die sinderende kaai.
    Waarheen die bruingepeesde spiere,
    die slink en wulpse draai
    van haar kaniene diere?

    S.J. PRETORIUS:
    O Here! Ek word so opgewonne
    as ek die arme honne
    so kaalpoot sien draf,
    maar wat kan ek, we-
    duwee Viljee,
    doen met my pullover en staf?