roel richelieu van londersele. Het gedicht is sportief
De voetbalstorm die de sportieve wereld in de ban hield en die Zuid-Afrika als een competente, kleurrijke organisator profileerde, is gaan liggen. In die voetbalmaand moest ik vaak terugdenken aan Nic van Bruggen (1938-1991), een groot Vlaams dichter die zijn passie voor sport (voetbal en zijn Antwerpse club Beerschot) en poëzie meesterlijk kon combineren. Over Nic van Bruggen wil ik het zeker nog hebben in een aparte wisselkaart. Maar ik wil nu even stilstaan bij de ingewikkelde, dubbelzinnige verhouding tussen sport en poëzie. Als ik constateer hoe groot het aandeel van de sport is in het dagelijks maatschappelijk gebeuren via actieve sport, kijksport en mediabelangstelling en ik daartegenover slechts een dun boek sportgedichten kan plaatsen, moet ik besluiten dat poëzie een wereldvreemde bezigheid is.
Willy Verhegghe en Pascal Delheye slaagden erin na veel en grondig harken 150 sportgedichten uit Nederland en Vlaanderen te verzamelen in de bloemlezing ‘Ook wij waren winnaars’. Over ‘ook wij waren Minnaars’ zouden ze moeiteloos aan 150.000 gedichten geraken. Trekt de gemiddelde dichter zijn neus op voor het onderwerp sport? Ik weet dat niet zeker, maar de dichter kan er wel zeker van zijn dat de literaire critici dat wel doen. Een gedicht over sport stuit op vooroordelen, wordt niet ernstig genomen. Ik vermoed dus dat er een zekere vorm van zelfcensuur geldt, wegens toch geen goede respons. Een andere verklaring is ongetwijfeld dat het schrijven van zo’n gedicht véél moeilijker is, dan het plegen van een ‘gewoon’ gedicht. Het vergt een groot métier om info, technische gegevens, emoties en beeldspraak tot een gaaf geheel te kneden.
Ik vermoed ook dat bij dichters de bedenking in het achterhoofd zit dat over sport schrijven gelijk staat met de neorealistische gedachte dat jan met de pet het gedicht moet kunnen begrijpen. Wat dan zou betekenen dat de dichter zijn taalmedium tot een lager niveau moet doen dalen. Dat is een misverstand. Dat is een verkeerde houding. Hugo Claus vertelde me ooit dat hij met een probleem zat: hij moest gedichten schrijven voor het weekblad Knack. Plots zou hij 200.000 lezers hebben i.p.v. een goeie 1000. Hij was er nog niet uit in hoeverre hij daar rekening mee moest houden. Ik antwoordde hem dat ik in dat geval eerder zou gaan in de heldere richting van Elsschot dan in de experimentele richting van Faverey. Maar daarmee sprak ik toch geen waardeoordeel uit. Elsschot en Faverey zijn elk meesters in hun genre. Grotere toegankelijkheid hoeft toch niets te maken te hebben met grotere toegevingen!
Ik herinner mij een twee uur durend gesprek met Herman de Coninck, waarin hij zijn eigen poëzie schraal noemde in vergelijking met de poëzie die uitging van de gracieuze, perfecte en doeltreffende bewegingen van basketbalicoon Michael Jordan. Maar ik heb HDC niet kunnen betrappen op het schrijven van een gedicht over MJ.
De dichters die zich wel hebben ‘verlaagd’ tot het sportgedicht hebben een oeuvre bijeengeschreven dat wel een afspiegeling is van de belangstelling van jan met de pet. De kleine sporten worden, zoals door de pers, ook door de dichters stiefmoederlijk behandeld: meer dan de helft van de gedichten gaan over voetbal en wielrennen. Schaatsen komt op de derde plaats. En dat een gedicht over sport een pareltje kan zijn dat zich niet in de lage modder wentelt, kan ik moeiteloos aantonen met dit gedicht van Gerrit Achterberg.
Schaatsenrijder
Over zijn strenge cirkels heengebogen
eigent hij zich de middelpunten toe.
Hun trots bezit staat in zijn harde ogen.
Hij wordt de mathematica niet moe,
waarmee elk nieuw uitvieren zich volstrekt
om elke nieuwe inkeer op te vangen.
Zie hem in rustige beslissing hangen
boven het tijdloze, dat hij wekt
en kantelend in tegenkringen leidt
voor het een snelle, ronde dood zou vinden.
Hij heeft zich van de wereld al bevrijd;
enkel de smalle ijzers die hem binden
aan ‘t evenbeeld. Een laatste vrouw misschien?
Wat kan hij in de spiegel nog verwachten?
Of houdt een vrouwenschim, die wij niet zien,
hem vast binnen dit eenzaam veld van krachten?
Ijskoude liefde, die niet sterven wil,
omdat de dode lelies onder water
haar eenmaal droegen in hun gouden harten,
waarmee de vijver vol lag, zwaar en stil.
Tot slot moet ik bekennen dat ook ik medeplichtig ben aan het verwaarlozen van de sport in de poëzie. Ik pleegde zelf maar één gedicht, eentje over Michael Jordan, ter ere van de meester en met een knipoog naar Herman de Coninck, die het zonder zijn plotse dood misschien nog zelf had geschreven.








