Peter Holvoet-Hanssen: Reuzenlied en reuzengedicht
Onze rijkdom hier in Antwerpen komt voort uit ondernemingszin, kijk maar naar het havenbedrijf. Onze ondernemingszin voerde ons naar Afrika… De handjes op het MAS: de Zuid-Afrikaanse meesterdichter Naudé zag de afgehakte handjes ten tijde van Leopold II voor zich. Samen doorploegden Charl-Pierre en ik de geschiedenis van ‘t Stad. We bezochten ‘de vierde toren’. Op die plek zie je het reusachtige havengebied - zo onbekend bij de Antwerpenaar en zo belangrijk voor zijn ‘welvaart’.
In vervlogen tijden, toen de zee wegtrok en zandbanken overbleven waarop de eerste nederzettingen kwamen (ik woon in een ‘heem op een berg’: Berchem), geloofde men dat hier ooit reuzen geleefd hebben. Die legende komt van érgens. Als er walvisbeenderen werden opgegraven, zei men: zie, Druon Antigoon en de zijnen, ze moeten echt hebben bestaan. Maar ként de Antwerpenaar wel zijn geschiedenis? Hoe zat dat met Lumumba? (zie Naudé) En wat was er met Silvius Brabo aan de hand (zie HH)? Een oerlegende verhaalt dat de reus van Antwerpen in vervoering geraakte bij het gezang van onze held. Vandaar een ‘Reuzenlied’ (PHH) en bij Naudé een reuzengedicht dat de link legt met Afrika en met andere culturen. Het werd een wandtapijt waarop bloederige diamanten fonkelen als op de riem van Elvis. Kent de Antwerpenaar wel zijn eigen geschiedenis? Daarom dat ik de hoogtepunten nog even op een rijtje zet (Rubens komt in beide gedichten voort, soms ‘haken’ ze ‘in elkaar’). Voorbeeld: in de achttiende eeuw startte hier de Ommeganck, voortvloeiend uit oude gebruiken - vanuit heidense riten naar rondgangen rond de kerk. De Reuskes van Borgehout, ja, die kent men hier. Maar: Deurne en Borgerhout waren lang één gemeente en de Reuzen van Deurne mogen niet onderschat. Eén van was John Lundström, een Antwerpse volkszanger pur sang. ‘Vake Viool’, zei men in Deurne, want hij kwam vaak naar het oude centrum van Deurne, componeerde zelfs een eigen reuzenlied. Antwerpenaren zijn dus een volk van reuzenmakers. Maar ook van dwergen: de poesjenellen. Die stangpoppen hebben geen last van een dikke nek, integendeel, ze geven er kopstoten mee. De commedia dell’arte bracht deze ‘Poesjes’ voort. Maar: ‘horen wil wie hoort’…
Onze namen verdwijnen in de mist der tijden, en de tijden zelf hullen zich in een waas van mist. We boetseren onze eigen geschiedenis, onze eigen herinneringen… Laat ons daarom terug nieuwe liedjes en verhalen maken, nu de oude uit zo vele repertoria verdwijnen. Mijn ‘Reuzenlied’ eindigt met een ‘reuzenwijsje’, een berceuse met knipoog naar Van Ostaijen, dat je als slaapliedje kunt aanleren aan je kindjes. Of zingen voor de Kleine Reuzin op een mooie vrijdagavond, als ze slaapt.
Want als de reuzen komen, hangt er poëzie in de stad. 20 augustus ook LETTERLIJK vanaf TWEE tweetalige banieren. Tweetalig? Ah ja, de reuzen van Royal de Luxe spreken geen Vlaams.
Vergeet niet, ten tijde van de Hessenhuizen: het Eilandje was een broeihaard van culturen. Zo veel verandert er niet doorheen de eeuwen. Sommige dingen blijven, onder een nieuw technologische verpakking, bij het oude. Kijk, daar staat een moderne Rubens te wachten op een vrachtje, want met kunst is ook groot geld te verdienen.
Geef mij maar een mooi lied gezongen door een niet onschuldig kind, dat wil ik doorgeven aan het nageslacht.
Peter Holvoet-Hanssen
Stadsdichter: Antwerpen






“Een mooi lied gezongen door een niet onschuldig kind” ! Mooi reel, Peter Holvoet-Hanssen, jou alchemis.