Luuk Gruwez. Brief aan Leonard Cohen

BRIEF AAN LEONARD COHEN

 

Waarde heer Cohen,

 

Vergeef mij dat ik niet weet of ik die heer van inmiddels zessenzeventig moet tutoyeren of vousvoyeren. Die nobele heer met een hoed, bedoel ik, de man die je dit en vorig jaar en het jaar daarvoor her en der op affiches in het Belgische straatbeeld zag. Ach, laat ik je toch maar tutoyeren. Ik zeg – om met Jacques Prévert te spreken – ‘jij’ tegenover ieder die mij lief is. Je dis ‘tu’ à tous ceux que j’aime. Misschien word ik straks zelf nog ooit zo’n heer, misschien wel een heer met incontinentie en dementie, loslippigheid van geest en vlees.

Je reikt me, Leonard, nu ik pas zevenenvijftig geworden ben, een perfect klimatogram aan van een gemoedsgesteldheid die tot dusver al minstens zo’n half eeuwtje heeft geduurd. Je resumeert in zekere zin mijn leven. Ben je daarom een idool van me? Niet echt. Niet daarom tenminste. Idolen zijn wezens die uit sterrenstof of etherische oliën zijn samengesteld, maar die met een Hervekaasje of een bloedworst desondanks een beperkte houdbaarheidsdatum gemeen hebben. Zij kunnen niet verhinderen dat zij op een dag weer mensen worden en ophouden. Vooral wanneer men ze al op zeer jeugdige leeftijd pleegt te koesteren, vallen zij ten prooi aan die saaie, nutteloze levensfase die men truttig ‘volwassenwording’ noemt. Toch ben ik erg gesteld op mensen die tot ver na hun vijftigste nog in staat zijn diegene te bewonderen die zij nooit hebben kunnen zijn en nooit meer zullen worden. Hun echec beseffend, gaan zij zich dan maar identificeren met de underdog. Hun niet gerealiseerde verwachtingen proberen zij te sussen met de troostprijs van de schijnbare zinvolheid. Hun schamele passage op aarde willen zij nog opboenen door zichzelf wijs te maken dat de hoogste in de hiërarchie van de idolen de underdog is.

Een schijn van zinvolheid, Leonard Cohen! Veel meer dan dit valt er, vrees ik, ondermaans inderdaad niet na te streven. Each man kills the thing he loves. Je kent de woorden van Wilde. Maar ik heb je niet gekild en zal dit ook niet doen. Misschien was ik wel het meest op je gesteld toen ik, al kort na het begin van je carrière, geen donder van je snapte. Zeshonderdduizend mensen wist je in 1970 in bedwang te houden op het eiland Wight. Dat was knap. Maar je stond daar toch ook met iets wat mij later een poosje zou ergeren: dat idiote sérieux en dat fake zendelingendom. En al kon ik als twintigjarige voortreffelijk zwelgen in de weemoed grand cru classé van je songs, zij klonken mij soms iets te nevelachtig in de oren. Er begon een rurale West-Vlaamse nuchterheid in mij post te vatten. Ging het hem bij jou niet louter en alleen om sfeer? Misschien wel. Maar hoe intoxicerend! Ook nu nog! Mét die sfeer bewerkstellig je namelijk dat ik zevenenvijftig ben en tegelijk negentien of drieëntwintig. Misschien ontstaat er daardoor alsnog een boost aan betekenissen die mijn bestaan mede samenhang verschaffen.

In het gedenkwaardige jaar 1976, heetste zomer van de twintigste eeuw, was ik aan het afstuderen. Iedere zaterdagochtend stond ik, badend in eigen weltschmerz als een ander in zijn zweet, in mijn Leuvense studentenkamer vroeg op omdat ik mij per trein naar mijn ouderlijke huis wou begeven. Het viel mij zwaar de studentenstad te verlaten. Ik ben altijd een beroerd afscheidnemer geweest. Maar toen al luidde mijn adagium dat elk afscheid de nodige zorg behoeft. Dus legde ik, voor ik  naar het station trok, doorgaans nog een van je platen op mijn kaduke Dual. Op een daarvan stond ‘Chelsea Hotel’ met deze onvergetelijke regels: ‘We were ugly, but we had the music.’ Het ging over je onenightstand met Janis Joplin. Dit lied is het dat heeft bijgedragen tot mijn geloof dat wij schoonheid produceren omdat wij zelf naar lichaam en geest uit pokdaligheid zijn opgetrokken.

Ik had een zwak voor ‘It seems so lang ago, Nancy’, over het meisje dat uiteindelijk de loop van een geweer tegen haar slaap zet. ‘Many used her body, many combed her hair,’ zing je, geheel conform aan de epoque waarin de uitdrukking ‘vrije seks’ nog weerklonk als de bellen van koeien in een Zwitserse alpenwei. Wij koketteerden bovendien met alles wat gedoemd was. Zelfmoord was begerenswaardig. Er kleefde een aura van betovering aan de meisjes van de dood. Zij pasten prima bij je songs die leken te krioelen van hun vermoeide, sensuele lijven. Later, in dat onvergetelijke ‘Take this waltz’, zou je het hebben over ‘a shoulder where Death comes to cry’.

Geen twee jaar geleden, in Vorst Nationaal, zag ik je voor het eerst live, nobele heer met  hoed. Wij zaten daar, Totje en ik. Op de vijftiende rij misschien. Vorst, 19 oktober 2008. Meer dan drie uur lang. Vlak voor je laatste song moesten wij opkrassen om onze trein te halen. Daardoor leek het wel of wij weigerden afscheid van je te nemen. En onderweg naar huis weerklonken in mijn hoofd frases uit je songs. Vooral deze regels, zo karakteristiek voor een leven omspannend heimwee: ‘I can’t forget. I can’t forget but I don’t remember what.’ Waarom uitgerekend deze woorden? Misschien, Leonard, omdat ze mij deden denken aan wat ik zelf ooit geschreven heb: ‘Alles gaat voorbij, maar niets gaat over.’

Het ga je goed, oude bard, draag zorg voor wat dreigt te verdwijnen, zelfs als het uiteindelijk nooit overgaat.

 

Je Luuk

 

Deze brief is bestemd voor de rubriek ‘Mag ik je fan zijn?’ van het zondagmiddagprogramma Moshi van de Belgische zender Radio Eén.

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Luuk Gruwez. Brief aan Leonard Cohen”

  1. Andries Bezuidenhout :

    Luuk, ek sukkel om Cohen te ontgroei. Om een of ander rede tref “Nancy” my steeds, veral die live weergawe – ek dink dit kom van “Live songs” (1973?) af. Ek luister juis die afgelope week konstant weer na “New skin for the old ceremony”.