Edwin Fagel. Over Faverey

Tijdens een etentje vertelde ik laatst een dichteres waarvan ik dacht dat ze dat wel zou waarderen, dat ik zo van de poëzie van Faverey houd. Ze keek me aan en vroeg op een toon die haar afkeuring niet verborg: ‘Waarom vind je dat?’ ‘Ik vind zijn taal geweldig,’ zei ik. Want wie A zegt moet ook B zeggen.

Een rijkelijk vaag waardeoordeel. Waarom houd ik eigenlijk van Faverey? Ik ben geen bijzonder groot liefhebber van ‘hermetische’ poëzie, waar Faverey toch wel het schoolvoorbeeld van is. Faverey is nu ik erover nadenk een van die dichters waarvan ik meestal weinig benul heb van wat hij zegt. Ik heb dat bij meer geliefde dichters, zeker bij eerste lezing, maar meestal heb ik toch nog wel een vermoeden, een gevoel van wat er staat. Bij Faverey heb ik dat niet.

Ik heb eens tijdens een Nacht van de Poëzie een voordracht van Astrid Lampe bijgewoond, waarbij mensen om me heen elkaar aankeken en vroegen of die mevrouw op het podium ons misschien in de maling nam. Zoiets bedoel ik.

Nu weet ik ook wel dat de poëzie van Faverey bij nadere beschouwing wel degelijk heel veel te melden heeft. En anders is er genoeg secundaire literatuur om me dat onder de neus te wrijven. In Lees dat en herlees dat, bijvoorbeeld, geeft Rein Bloem (in een artikel uit 1967) een uiteenzetting over het volgende gedicht:

 

Een mug (de mug)

 

beklimt, desnoods:

bestijgt een olifant

(de olifant).

 

Zo gooide iemand eens een bal op.

Deze stuiterde nog enige malen,

 

bleef toen zo goed als stil liggen.

 

Bloem betoogt dat de lezer hier het proces van het dichten zelf meemaakt; zie bijvoorbeeld de verschuiving van de aanleiding in de werkelijkheid naar het gedicht (de verschuiving van ‘een’ naar ‘de’), waarna het gedicht zich naar een ‘nulpunt’ begeeft. Bloem wijst op het gegeven dat de gedichten van Faverey ‘verwijderingen’ zijn: het gedicht staat op zichzelf, er is geen enkele verwijzing naar buiten, ‘de taal verwijst alleen naar zichzelf‘.

Faverey

Faverey

Ik vind Bloems uitleg mooi en intelligent, er is geen speld tussen te krijgen – maar het is niet waarom ik van Faverey houd. De regels hoeven van mij niet zo vol te zitten met betekenis, of de afwezigheid ervan. Het komt me voor dat ze daar te zwaar van worden. Want vrijwel onbelicht in deze beschouwing blijft dat de taal – de muziek, de klanken, de wendingen ervan – een verbazingwekkende lichtheid hebben, en veel plezier verraden en opwekken. Minstens zo belangrijk als de strekking van de regels vind ik de ingehouden humor ervan. In de receptie van Faverey wordt in mijn beleving nogal eens vergeten dat de poëzie ook gewoon, en vooral, leuk is. Overigens wijst Bloem daar tussen neus en lippen ook wel op, in een bijzin in de beschouwing waar ik hier uit citeerde (voor het eerst gepubliceerd in Vrij Nederland), en ook valt in een artikel voor de Groene Amsterdammer uit 1993 – naast alle meer serieuze observaties over het werk – geregeld het woord ‘leuk’.

 

Vanwaar dan die reactie van de bevriende dichteres? Het beeld van Faverey is er een van intellectualisme, van weinig woorden en veel betekenis, van diepe ernst. Ongeveer zoals Ilja Leonard Pfeijffer dat verwoordde in zijn essay over Faverey, gepubliceerd in Het geheim van het vermoorde geneuzel (2003). Pfeijffer zag daarin m.i. de humor en speelsheid van Faverey over het hoofd, en verweet hem zelfs ‘humorloosheid’. Dat kan allemaal, en dat mag natuurlijk ook. Al vind ik dit soort verschillen in perceptie eigenlijk maar vreemd. Heel vreemd zelfs.

 

(Edwin Fagel)

 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.