Chris Coolsma. Amsterdam 1966.

Op 30 september 1966, drie weken na mijn twintigste verjaardag, liep ik opgewonden ‘mijn’ boekwinkel aan de Scheldestraat in Amsterdam binnen. Zulke winkels bestaan bijna niet meer. Ze zijn opgegaan in ketens en verkopen bijna alleen  goedlopende boeken waar weinig risico aan kleeft. In  die tijd kon je er tussen de hoge rekken vol onbekende boeken doorscharrelen, wegdromend in een nieuwe wereld, op zoek naar nieuwe ontdekkingen. Een groot deel van mijn studietoelage werd er omgezet in de Anton Wachterromans, de eerste vertalingen van ‘Op zoek naar de verloren tijd’, dikke romans van Dostojevski en Tolstoj, bundels van Lucebert, Vroman en Verhagen, en een keur aan pas verschenen romans van Wolkers, Campert, Reve, Hermans en Mulisch. De boekverkoper was zelf verwoed lezer en had wel schik in dat studentje, duidelijk een groentje maar goed voor zijn omzet.

In mijn vergeelde exemplaar van ‘Bericht aan de rattenkoning’  staat dan ook ‘30/9/66′ onder mijn nog maar pas ontworpen handtekening, stijfjes en leesbaar. De boekverkoper had mij verteld dat er een boek van Mulisch aan stond te komen. Het zou gaan over de oproer van dat jaar in Amsterdam. Hij wist de titel nog niet, maar ik bestelde het, voor het eerst gebrand op een boek dat nog naar drukinkt zou ruiken. Ik wilde lezen wat ik had meegemaakt en waarvan ik de draagwijdte in de verste verte niet kon overzien.

Op 14 juni 1966 was ik ‘s morgens voor een schriftelijk tentamen Statistiek in een grote kale zaal boven de brandweerkazerne aan de Prinsengracht. Het was onrustig. Ergens halverwege het tentamen rukten brandweerwagens uit. Eenmaal buiten na het tentamen was er nog niet veel bijzonders te zien. Ik fietste langs de Nieuwezijds Voorburgwal naar het Spui op weg naar de broodjeszaak in de Langebrugsteeg, mijn weg naar de wetenschap (als ik nu door die steeg wandel, loopt het water me weer in de mond bij de herinnering aan de broodjes halfom, osseworst, pekelvlees en lever die daar werden klaargemaakt door een grofgebouwde man in witte jas met een altijd scheefstaand hoofd, die je met één priemend oog aan placht te kijken terwijl hij je in de maling nam in onvervalst Amsterdams. Even verderop wil ik een krantje kopen, maar de boekwinkel is verdwenen.)

Dit is wat over die dag in ‘Bericht aan de rattenkoning’ staat: ‘De volgende dag werd ik pas laat in de morgen wakker. Het was het soort stralend warme zomerdag, waarop ook Palingoproer, Aardappeloproer en Werklozenoproer waren uitgebroken; het was ook het soort weer van 10 mei 1940 (het begin van de  Duitse inval in Nederland, CC). Benieuwd ging ik de stad in, maar er scheen niets aan de hand te zijn. Het was druk, lunchtijd, en alle terrassen zaten vol medewerkers en medewerksters, die in hemdsmouwen en met opgetrokken rokken in de zon hingen. Naar men zegt is ook de Franse revolutie onopgemerkt voorbijgegaan aan andere buurten dan de Bastille. Tegelijk met de politie arriveerde ik op de Nieuwe Zijds Voorburgwal. Wat een onvergetelijk aanblik! De Bastille was het gebouw van De Telegraaf en de zon scheen op een fantastische, stinkende ravage, waar duizenden mensen naar stonden te kijken. Omgegooide, brandende bestelwagens, het gebouw zelf met ingegooide ruiten, gebarrikadeerd, de stalen rolluiken van de drukkerij verbogen en ontwricht. De brandweer stond smeulende stapels kranten te blussen.’  In die menigte liep ik ook rond en ik herinner me zelfs dit beeld: ‘op een stoeprand zat een man van middelbare leeftijd zich alleen nog maar slap te lachen’.

Ik moet Mulisch daar dus gezien hebben, maar in een menigte kan je elkaar mislopen op een afstand van een meter. Ik kende zijn gezicht van de omslagfoto’s van zijn boeken.  Zoals vaker was het mijn negen jaar oudere broer die me had laten kennismaken met de schrijver. ‘Het stenen bruidsbed’ was een grote schok voor me geweest, alleen al vanwege het omslag: een foto van het volledig in puin gegooide Dresden, onder een zwaar beschadigd beeld van een Engel. Het boek gaf me voor het eerst een besef van de volle gruwelijkheid en chaos van de oorlog waar ik een kind van was. Het was ook de eerste keer dat ik minder in zwartwittinten over die oorlog ging denken. De bombardementen verloren met dat boek voor het eerst hun schijn van gerechtigheid. Daarna las ik ‘Voer voor psychologen’, dat ook al grote indruk maakte, doordat ik voor het eerst na ging denken over het verhaal van mijn eigen leven. Van dat boek onthield ik ook: ‘schrijven is stratenmaken: op je knieën liggen en achteruit kruipen’ .

Het sprak vanzelf dat ik het verslag van de gebeurtenissen in Amsterdam wilde lezen. Voor het eerst voelde ik me betrokken bij de politieke ontwikkelingen. Engagement, aangewakkerd door jonge mensen die in de voorhoede stonden.  Zo stond ik dus op 30 september al vroeg in de boekwinkel. Er lag een stapel boeken in bruin pakpapier op de grond. De winkelier had net het touw doorgesneden. Ik kreeg het eerste exemplaar, dat ik  die dag nog heb uitgelezen, na met een plechtig gevoel de datum te hebben toegevoegd aan de copyrightgegevens. Copyright 1966 Harry Mulisch Amsterdam. ‘Aankoop 30.9.66 Chris Coolsma. A’dam.’  ‘s Avonds op de sociëteit voerden we voor het eerst felle discussie over de gebeurtenissen in de stad. Een wat oudere student politicologie dacht dat er revolutie kon uitbreken. De relletjes, die tot dan toe een speels karakter hadden gehad, waren omgeslagen in een steeds grimmiger veldslag. Er waren ruiten ingegooid en brandjes gesticht. De politie, in de ogen van de jeugd tot dan toe een sullig stel oude mannen in slonzige uniformen, was overgegaan op een vorm van geweld die alleen maar woede losmaakte. Sommigen vonden het gezag veel te slap, anderen vonden het gezag losgeslagen. De studenten, in de ogen van de politie tot dan toe een sullig stel oudachtige jongens in slonzige pakken, waren veranderd in revolutieprekende oproerkraaiers. Dat het maar om een kleine groep studenten ging, leek de dienders te ontgaan. Dat het vaak vooral spel was, begreep het zenuwachtige gezag (door Mulisch als ‘regentendom’ aangeduid) niet. Mensen die naar adem snakken moet je niet de strot dichtknijpen.

Twee weken na de Telegraafrellen merkten we dat er iets voorgoed veranderd was. Mijn studentenvereniging hield elk jaar een grachtenloop, een estafettewedstrijd tussen eerstejaars en het sociëteitsbestuur. Daartoe werden door ons alle kruisingen van de Leidsgracht met dwarsstraten afgezet, zodat we onbelemmerd door het verkeer onze rituele hardloopwedstrijd konden houden. Maar dit jaar verschenen er, al tijdens de feestelijkheden bij de sociëteit, politieagenten op de bruggen. Er werd met geweld gedreigd als we de grachtenloop zouden houden. Het regentendom en de Hermandad, de kip, de smeris probeerde de revolutie de kop in te drukken, maar voorlopig werd het tegendeel bereikt: mijn generatie wilde vrijheid en verandering. Ook dat beschrijft Mulisch in Bericht aan de rattenkoning. Al ging de revolutie in Nederland niet door. Mulisch had het al gezien: in Nederland eindigt de opstand uiteindelijk altijd in de slappe lach. Laten we hopen dat hij voorgoed gelijk zal krijgen.

Bookmark and Share

Comments are closed.