Chris Coolsma. Jazz! (3)

Vanmorgen stond ik in mijn kamerjas bij de vleugel, haren in de war, en las deze vertaling van het gedicht ‘Piano Lessons’, die ik in 2008 maakte:

Pianolessen
1
Mijn leraar ligt met een stijve rug
naast de piano op de grond.
Ik zit kaarsrecht op de kruk.
Hij begint te vertellen dat elke toets
een andere kamer is;
ik ben de blinde die moet leren
om door alle twaalf te lopen
zonder de meubels aan te raken.
Ik voel hoe ik naar de eerste deurknop tast.

2
Hij vertelt me dat elke toonladder een vorm heeft
en dat ik moet leren hoe
ik mijn handen moet houden.
Thuis oefen ik met gesloten ogen.
C is een open boek.
D is een vaas met twee oren.
G is een zwarte laars.
E heeft de poten van een vogel.

3
Hij zegt dat de toonladder de moeder van de akkoorden is.
Ik zie haar ijsberen over de slaapkamervloer
wachtend op de thuiskomst van de kinderen.
Ze zijn uit naar dansclubs om schaduw en licht
van songs te werpen op paren die traag dansen
of naar elkaar staren over tafels.
Zo moet de muziek zijn. Immers,
net dat ene akkoord maakt je aan het huilen,
maar niemand luistert naar de toonladders
of naar hun moeder.

4
Ik doe mijn toonladders,
de oude bekende kinderliedjes.
Mijn vingers beklimmen de ladder van tonen
en dalen af zonder zich om te draaien.
Als iemand onder het venster langs liep
zou hij zich een meisje van tien voorstellen
aan het toetsenbord in een voorbeeldige houding,
niet mij, voorovergebogen in mijn kamerjas, haren in de war,
als een blanke Horace Silver.

5
Ik leer “It Might As Well Be Spring’
maar mijn linker hand zou liever
met muntjes rammelen in het duister van mijn zak
of een dutje doen op een armleuning.
Ik moet hem de muziek binnen slepen
Als een lastig en verwaarloosd kind.
Dit is de wraak van iemand die nooit
de pen mag vasthouden, of vaarwel zwaaien,
en die nu nooit de melodie mag spelen.

6
Zelfs als ik niet speel, denk ik aan de piano.
Zij is het grootste, zwaarste
en mooiste voorwerp in dit huis.
Ik draal in de deuropening om haar in me op te nemen.
En midden in de nacht stel ik mij haar voor,
deze hallucinatie op drie poten, beneden,
dit merkwaardige beest met zijn enorme maanverlichte grijns.

Ik las dit omdat er iets geweldigs is gebeurd, een wens is vervuld. Ik wilde gewoon Collins lezen en dit lag op de piano. Het kwam door een tweetalige bloemlezing (NL-Eng) van gedichten van Billy Collins, voorzien van commentaar. Het geschenk is nog groter, omdat een van mijn helden het heeft geschreven. Held is eigenlijk een verkeerd woord, misschien kan ik beter lievelingsschrijver schrijven, maar dat is ook niet goed, want hij is veel meer dan een schrijver.

Waarom is hij een van mijn helden? Om verschillende redenen, maar de belangrijkste is dat hij mij, en velen van mijn generatie, bijna vijfentwintig jaar lang regelmatig intens gelukkig heeft gemaakt. In mijn versie van de behoeftenpiramide van Maslow staan de kunsten aan de basis. Zij zijn voor mij het water en brood van het leven. En in mijn kunstenpiramide staat de diepzinnige humor bovenaan. Naar mijn onbewoonde eiland gaan de dvd’s met alle afleveringen van de programma’s van Kees van Kooten en Wim de Bie mee, net als vijf films van Laurel en Hardy (vooral ‘The musicbox’, zie http://uk.video.yahoo.com/watch/6687094/17370706 ) Want er kan niet genoeg gelachen worden en het fijnste lachen is lachen om onszelf.

Kees van Kooten is een van mijn helden, maar ik moet er nog bij zeggen dat hij dat vooral is omdat hij iemand is om heel veel van te houden. Helden staan op voetstukken, graag op de rug van een paard in een houding die iets zegt over de manier waarop ze zijn gestorven, maar Kees van Kooten staat gewoon met beide benen op de grond.

Dus nu heeft een van mijn helden een boek geschreven over een van mijn andere helden. Zijn boek leest als een persoonlijke kennismaking met Collins en zijn gedichten. In geestige en bescheiden en diepzinnige en zorgvuldige stukken licht van Kooten zijn keuze en zijn vertalingen toe. Bij zijn wandeling door de kamers van het huis van de poëzie van Collins komt hij natuurlijk ook bij de jazz uit. Collins en van Kooten zijn even oud en ze houden allebei zielsveel van de jazz. Heb ik alweer geluk, en jij ook, die dit leest. Kees van Kooten heeft ‘Nightclub’ (uit ‘Sailing Alone Around the Room’) en ‘The many faces of jazz’ verkozen, omdat hij zich zo in deze gedichten herkent. Maar ook omdat hij tot zijn grote geluk ontdekte dat Collins en hij dezelfde smaak hebben. En zo, al heb je dat nog niet beseft, lezer, ben jij in de zesde hemel beland. Door de componist, de musici, Collins, die luisterde en schreef, van Kooten die luisterde en schreef, en nu door jouzelf. Lees het voor aan een geliefde en je zult de zevende hemel bereiken. Geluk wordt immers vergroot als we de sensatie kunnen delen met een ander? Ik weet niet of dit voor iedereen geldt, maar ik wordt pas echt ontroerd door een gedicht of een muziekstuk, als ik die ervaar in het bijzijn van anderen.

Kees van Kooten is een zorgvuldige vertaler, maar hij is vooral een hertaler met een scherp inzicht in de moderne Nederlandse spreektaal. Zijn zorgvuldigheid blijkt bijvoorbeeld uit de keus voor ‘Jazzclub’ als vertaling van ‘Nightclub’ en niet voor ‘Nachtclub’, want ‘ er bestaan in Nederland nauwelijks nog gelegenheden die zich als nachtclub afficheren en de knettergekken waar Collins op doelt vind je er trouwens ook niet, omdat Nachtclubs worden gefrequenteerd door zakenmannen en jazzclubs door onzakelijke mannen.‘

Jazzclub (copyright Kees van Kooten 2010, ik schrijf het toch helemaal over, want mijn doel is dat de lezer zich nu enthousiast naar de boekhandel spoedt.)

Jij bent zo mooi en ik knettergek
dat ik verliefd op je ben
is een steeds weerkerend motief
in liedjes en gedichten.
Het omgekeerde schijnt maar niet te kunnen.
Ik heb nog nooit iemand horen zingen
ik ben zo mooi
en jij knettergek om verliefd op mij te zijn
hoewel mannen en vrouwen
dit vaak bij zichzelf denken.
Jij bent zo mooi, maar jammer genoeg knettergek
zegt men in de regel evenmin.
En ook niet jij bent knettergek als je mij mooi vindt.
Dat hoor je nu echt helemaal nooit.

Zonder duidelijke reden
luister ik vanmiddag naar Johnny Hartman
die met zijn donkerbruine stem
de versleten ideeën over liefde, schoonheid en gekte
nieuw leven kan inblazen als geen ander.
Denk aan de kringelende rook van
een sigaret die iemand even heeft weggelegd
op een babyvleugel om drie uur ‘s ochtends.
Rook die omhoogdrijft naar de spotjes
en daar onder in het donker
zit een handvol mooie knettergekken
aan kleine tafeltjes te luisteren,
sommigen met hun ogen dicht,
anderen leunen voorover tegen de muziek aan
alsof die hen overeind houdt,
of ze wiegelen ijsblokjes rond in hun glas
half in de maat en half in slaap.

Ja, hier heerst de geschifte schoonheid
die ontluikt na middernacht
en geen zin heeft om naar huis te gaan
vooral niet nu iedereen is betoverd
door de grote man met de tenorsax
die als een gouden vis aan zijn hals hangt.
Hij stapt naar de rand van het plankier,
bukt, geeft zijn instrument aan mij
en knikt dat ik moet spelen.

Dus neem ik het mondstuk tussen mijn lippen
En blaas met alle adem die ik in mij heb.
Wij zijn allemaal zo knettergek
Zeggen de eerste maten van mijn lange bopsolo,
zo allejezus knettergek
dat wij mooi geworden zijn
zonder het zelf te weten.

Kees van Kooten schrijft dat hij de gedichten van Collins heeft gekopiëerd en in de bijbehorende ceedeedoosjes heeft gestoken. Om Johnny Hartman te horen terwijl we het gedicht nog eens lezen, en nog eens, en nog eens, hoeven wij alleen maar te klikken op http://www.youtube.com/watch?v=ILDqWHutba0&feature=related. Veel geluk!

Kees van Kooten en de poëzie van Billy Collins, of Zo wordt U gelukkig, de Harmonie, Amsterdam, 2010, ISBN 9789061699576

Bookmark and Share

Comments are closed.