Luuk Gruwez. Adam achterna

DE SIRENE

 

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel (oorspronkelijk Nederlands of in Nederlandse vertaling) die het meest zijn aandacht heeft getrokken. De recensie is eerder verschenen in De Standaard der Letteren.

 

ADAM ACHTERNA

 

Waarom schrijven dichters soms bewust ongrammaticale zinnen? Misschien om daarmee een wereld te schetsen die zijn samenhang kwijt is. Allicht geldt dit ook voor Esther Jansma in  haar meest recente bundel, waarvan de titel – ‘Eerst’ – haast een anagram van haar voornaam is. Het lijkt in deze gedichten alsof zij nog niet weet op welk punt van de schepping zij is beland. Zij zoekt zich een plaats in de historiek van het bestaan. Is zij de voltooiing nabij of zit zij nog maar pas bij het begin? ‘Scheppen’: het is een werkwoord dat hier spontaan opdoemt. Deze poëzie doet zich in hoge mate als een alternatieve schepping voor. Jansma gaat Adam achterna. Zij roept in hem een schipper tot leven. ‘Eerst maak ik dat Adam op een been op de mast/ van een schip is gaan staan. Het zijn de oerdagen/ waarvan men zegt dat de zee al bestaat, het is/ de tijd dat niemand naar hem omkijkt en alles kan (…)’: met die versregels begint de cyclus die eveneens ‘Eerst’ heet en over de hele bundel is verspreid, onderbroken door andere cycli, alsof dat begin nooit af is, alsof er tot aan het eind – in dit geval het eind van de bundel – geschapen blijft worden. Natuurlijk is dit ook zo. De dichteres dealt daarbij in keuzemogelijkheden. Zij legt de momenten bloot waarop het nog alle kanten uit kan, de momenten van het ongeschapene, in zekere zin die van de vrijheid.

Jansma heeft geen willekeurige collectie gedichten geschreven. De compositie van haar bundel getuigt van veel zin voor architectuur. Er wordt voortdurend ‘gemaakt’. Er ontstaat iets als een huis, de stenen getuige van een bestaan. Of een schip dat door de hele schepping kan cruisen. Het zijn twee metaforen die ook in Jansma’s vroegere poëzie courant voorkomen. Om hen een zekere soliditeit te verstrekken moet alles stevig met elkaar verbonden zijn. In een interview verklaarde de dichteres over haar geliefkoosde metaforen ooit het volgende: ‘Het huis en het schip zijn allebei beelden uit mijn kindertijd. Ik herinner mij hoe ik als kind fantaseerde dat mijn school een boot was, iedereen zat bij elkaar en zorgde goed voor elkaar.’

‘Nooit begint het eenvoudig,’ luidt het in de titel van de laatste cyclus. En eerder vooraan in de bundel lezen wij: ‘Het einde is een hoop gedoe.’ Tussen die twee vaststellingen in ‘gaat scheppen van Au’ – zoals de Nederlandse essayist Jessurun d’Oliveira bijna een halve eeuw geleden al opmerkte. Je krijgt als lezer sterk het gevoel dat Jansma schrijft ter compensatie van wat haar ontnomen is. Misschien in eerste instantie haar kindertijd. In hetzelfde interview beweert zij namelijk dat zij met haar gedichten probeert zichzelf een stuk van de wereld terug te geven. Het is verleidelijk deze intentie te associëren met het feit dat haar vader overleden is toen zij amper zes was en dat zij ook twee van haar nog zeer jonge kinderen aan de dood is kwijtgeraakt. Maar de dichteres heeft het daar in deze gedichten niet expliciet over. Het is haar om iets anders te doen: de creatie van een prothese die beter is dan het origineel. Alleen maar persoonlijk gemis lijkt haar te anekdotisch. Belangrijker is het grip te krijgen op al dat moeilijk vatbare dat haar omringt en een korset te maken dat alles samenhoudt.

Alles met alles verenigen: dat is bijvoorbeeld ook wat water tijdens een overstroming vermag. Ook water is een beeld dat hier een aanzienlijke gewicht heeft. Er is bijvoorbeeld de kleine cyclus die ‘Watertaal’ heet, een samengesteld woord dat prima aangeeft dat taal en water in feite eenzelfde verbindende functie hebben. Jansma fantaseert een jeugd bijeen als een land dat ondergestroomd is: ‘Het is allemaal water het is tot het einde/ niets zien van het landschap dat hier is/ verdronken de plek waar je woonde (…).’  Poëzie moet ervoor zorgen dat ‘het blinkende licht/ in jouw ogen soms in de diepte zo schijnt/ dat daar kort een perfecte beweging/ ontstaat die laat zien dat niets weg is’. Laten zien dat niets weg is: daar streeft deze dichteres naar. In het prachtige gedicht ‘Ontmoeting’ is zij op zoek naar een vaderhuis dat paradijselijk aandoet: ‘straks neemt hij me mee naar een door kaarsen beschenen/ (…)/ van muziek en zacht spreken van stemmen vergeven/ door stevige met mos en sporen van grote ouderdom/ begroeide stenen ommuurde heerlijkheid (…).’

Het paradijselijke contrasteert schril met de sfeer van het verstoorde feest zoals die wordt geschetst in het gedicht ‘Het was zo gezellig’. Het begint allemaal heel gemoedelijk, maar na verloop van tijd laat de moeder van zich horen. De lacherigheid gaat over in iets dramatisch ‘met telefoons en ambulances’, nadat zij de ‘bleekmiddelflesdop’ in haar mond heeft gestopt. ‘Personages’: zo heet de uitstekende cyclus waarin dit gedicht staat. En Jansma geeft er hier blijk van dat zij niet alleen gevoel voor dramatiek heeft, maar ook over humor beschikt. In ‘Stappenplan voor winnaressen’ en ‘Tienminutengesprek’ permitteert zij zich zich zelfs een milde vorm van satire, onder meer op het moderne onderwijssysteem.

Er is in deze bundel niet alleen dichterlijk gestreef van een hogere orde, maar ook veel dagelijksheid aan te treffen. Er is aandacht voor ‘de genootschap der vergeten groenten’ die zich uitgerangeerd voelen door ‘sterk verbeterde zeer jonge koolgenoten’. Het is niet onmogelijk om hierin de angst van de dichteres voor het eigen afgeschreven zijn te lezen. Dit sluit perfect aan bij de eerdere vaststelling dat hier iemand aan het woord is die op zoek is naar compensatie voor wat haar ontnomen is. Poëzie ontstaan uit gemis, uit het gevoel verworpen te zijn: een oeroud cliché, maar heel erg van toepassing. 

Jansma gaat op zoek naar ‘het ontstaan van iets’ en naar het einde daarvan. Daartussen zit  beweging, zit tijd. En tijd ‘is niet deze beweging maar wat eerder/ volmaakt is geëindigd en doorklinkt (…)’: iets wat dus blijft, een soort eeuwigheid of een perpetuum mobile. De dichteres wil alles kunnen onderbrengen in één enkel huis, waar het samenhang verwerft. Maar tegelijk beseft zij dat het onmogelijk is alles wat te groot is voor haar en alles wat haar overrompelt door zijn talloosheid te vatten: ‘Er zijn honderdduizendmiljoenmiljard plekken/ waar ik nooit ben geweest en ik kan ze niet / gelijktijdig bedenken, een voor een dan maar (…).’  Zij verdeelt grote dingen in stukjes, eeuwigheid in momenten. Maar niet alles is denkbaar. Sommige gedichten krijgen daardoor een existentialistische toon. Het bestaan is niet gepland, berust op toeval. De mens is erin geworpen.  ‘Nooit begint het eenvoudig (…)’: inderdaad.

 

_____________________

ESTHER JANSMA

Eerst

De Arbeiderspers, 58 blz., 17,95 euro

 

 

PERSONAGES

  1. HET WAS ZO GEZELLIG

 

 

Het was zo gezellig, een kluwen armen en benen

op een bank, een beetje dringen, ja, we praatten

door elkaar heen maar we zeiden wel allemaal

goede dingen, wat we voor Sinterklaas, dat de ander

niet moest dringen, het was gewoon zoals altijd

tot in ons midden een kort binnensmonds geluid

begon en weer verdween. Het was onze moeder.

Ik weet nog dat ze grappig keek. Er begon iets

anders, met telefoons en ambulances. Ze moet

hebben gedaan of ze een koekje opat en slap

van grappen en plezier met een clownesk precies

voor ons bestemd gebaar de dop van wat er zomaar

stond omdat ze nog niet klaar was met haar werk

de bleekmiddelflesdop dus in haar mond hebben

gestopt en kijk mij nou leuk doen zijn gaan slikken.

 

Esther Jansma

 

 

 

 

 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.