Chris Coolsma. Over de liefde

De pen vond het tijd om weer opgepakt te worden (niet in de zin van Marcel Möring, die in de Groene Amsterdammer van 20 januari 2011 schrijft dat de tijd van de e-mail alweer bijna voorbij is. Hij heeft dus zijn vulpen weer gevuld, een blok fijn schrijfpapier gekocht en is weer bij het begin begonnen. Leuk bedacht, maar hij vergist zich. Het kan zijn dat ‘überhippe types weer over gaan op post’ , maar gewone mensen zoals ik – nooit hip geweest en niet voorbestemd om nog hip te worden -, die bij het schrijven van brieven alleen het medium veranderd hebben, maar de inhoud niet, schrijven rustig verder op PC, Mac en iPad, kort en snel of lang en langzaam al naar gelang de geadresseerde en het doel. Goed archiveren, bij voorkeur met twee doorslagen (back ups) in een overzichtelijk systeem en je harde schijf, time machine of Google archief kan in enkele toetsaanslagen naar het juiste literatuurmuseum worden gestuurd. Geen kans op vergeling, het zilvervisje heeft er geen invloed op, en als je niet zo suf bent geweest om alles op inmiddels onleesbare floppies te bewaren, is het kloeke archief niet meer nodig. Maak foto’s van voorwerpen die je voor het nageslacht wilt bewaren en stop alleen de allerdierbaarste bril, vulpen, briefopener en sigarenkoker in een doos, Möring) want ik wil de te lange periode van stilzwijgen doorbreken, door mijn drie trouwe lezers te trakteren op gedichten over de liefde. Ik weet het, ongeveer driekwart van de wereldliteratuur gaat over de liefde (dat is vast een te beperkte schatting), maar daarom juist. Wat is een mooier onderwerp om je in te verdiepen?
Ik kom op het thema omdat ik onlangs een toespraakje moest houden bij een uitvoering van de ballet-opera ‘La Triomphe de l’amour’ van Jean Baptiste Lully. Om dat voor te bereiden ging ik op zoek naar liefdesgedichten in de bundels van mijn oude vriend Billy en mijn pasverworven vriend Tony. Wat ik eerst over het hoofd zag was dit: al hun gedichten gaan over de liefde. Ze hebben allebei het leven en mens innig lief. Ze kunnen niet ophouden er over te schrijven. Ze willen het leven zien, horen, voelen en ruiken en ze willen dat aan iedereen vertellen. Ze zijn dus tot over hun oren verliefd. Dat zette me aan het denken. Geldt dat voor alle dichters? Ik gooi de vraag maar in de groep, ik weet het niet. Maar het is wel een aantrekkelijke gedachte. Sommige dichters houden dan voornamelijk van zichzelf, maar de meeste zijn hartstochtelijk gepassioneerde minnaars van het leven.

Billy Collins

Billy Collins

Billy Collins is er weer eens in geslaagd om dat op een originele manier onder woorden te brengen.

Doelloze liefde

Vanmorgen werd ik verliefd op een winterkoninkje
toen ik langs de oever van het meer liep
en later die dag op een muis
die de kat had laten vallen onder de eetkamertafel.

In de schaduwen van de herfstavond
viel ik voor een naaister, nog aan haar machine
in de etalage van de kleermaker,
en later voor de kom soep,
stoom opstijgend als rook van een zeeslag.

Dit is de beste soort liefde, dacht ik,
zonder beloning, zonder cadeautjes,
of onvriendelijke woorden, zonder wantrouwen,
of zwijgen aan de telefoon.

De liefde voor de kastanje,
de jazzpet en één hand aan het stuur.

Geen lust, geen slaande deuren –

de liefde voor de miniatuur sinaasappelboom,
het schone witte overhemd, de hete avonddouche,
de autoweg die dwars door Florida gaat.

Geen wachten, geen lichtgeraaktheid, of wrok –
slechts af en toe een steek in mijn hart

voor de winterkoning die haar nest gebouwd had
op een laaghangende tak boven het water
en voor de dode muis,
nog gekleed in zijn lichtbruine pak.

Maar mijn hart staat altijd
op zijn driepoot in het veld
gereed voor de volgende pijl.

Nadat ik de muis bij zijn staart
naar een berg bladeren in de bossen gedragen had,
vond ik mezelf terug bij de wastafel,
aanminnig starend naar de zeep,

zo geduldig en oplosbaar,
zo thuis in zijn bleekgroene zeepbakje.
Ik viel er alweer voor
terwijl ik hem voelde draaien in mijn natte handen
en de geur van lavendel en steen opving.

***
Dichters zijn verliefd op het leven met alles wat daar in is. Die ene soort liefde, de liefde voor de eigen soort, de nauwelijks van sexuele verlangens los te weken liefde, is vanzelfsprekend het meest van al beschreven. Net als in ‘La Triomphe de l’amour’ is de in het volgende gedicht van Collins betrapte liefde niet zo doelloos en onschuldig, maar veroorzaakt pijn en oorlogen. Eerlijk gezegd ben ik ondeugend geweest. Ik heb er een in mijn ogen ontoelaatbaar zwakke strofe uitgeknipt, waar de bloemen bezoekende bij in voorkomt, die zelfs als opzettelijk cliché niet past. En ik heb de beschrijving van de stad vertaald naar Groningen.

Wat liefde doet


Zij klinkt zo heerlijk
op de autoradio in de zomer
met alle ramen omlaag gedraaid.

Toch doorboort ze niet alleen het hart
met pijlen, maar ook de oogbal en het scrotum
en de kleine schietschijf van de tepel.

Zij verandert alles in een symbool
als een storm die losbarst
in het slothoofdstuk van een lange roman.

Ze kan de ochtend laten fonkelen
of het nachtelijk duister verdiepen
als het bed door vuur is omringd.

Ze leert ons nieuwe pleziertjes
en nieuwe worstelgrepen –
de houdgreep, de tegenzet, de ontsnapping.

Maar meestal komt en gaat ze,
terwijl de inkt van haar naam droogt, is ze weer op weg
naar iemand in een andere stad,

een stad met twee torenspitsen,
rood bakstenen middenstandswijken
en een tussen bomen verscholen school.

Ze zal door de nacht reizen om er te komen,
en arriveren als een aartsengel
door een ijzeren hek dat niemand eerder was opgevallen.

***
Dat is andere kost dan winterkoninkjes en zeep in een bakje. Maar omdat ik het jaar toch hoopvol wil beginnen, komt hier als afsluiting van deze bijdrage een gedicht waar ik verliefd op ben. Verliefd op de jongen, maar vooral op het meisje met het zwarte haarlint en de cellokist. Welke jongen heeft niet naar haar opgekeken ‘zoals de ogen van heiligen zijn geschilderd/als zij opkijken naar God/als hij iets wonderbaarlijks verricht.’

Liefde


De jongen achterin de treinwagon
bleef achter zich kijken
alsof hij bang was of iemand verwachtte

en toen verscheen zij in de glazen deur
van de voorste wagon en hij stond op
en opende de deur en liet haar binnen

en ze betrad de wagon met
een grote zwarte kist
met de onmiskenbare vorm van een cello.

Ze oogde als een engel met een hoog voorhoofd
en donkere ogen en haar haar
was in haar nek samengebonden met een zwarte strik.

En vanwege dit alles
scheen hij een beetje onhandig
in zijn geluk om haar te zien,

terwijl zij er gewoon was,
volmaakt wezen met een zacht gezicht
dat cello speelde.

En de reden dat ik dit schrijf
op de rug van een manilla envelop
nu zij samen de trein hebben verlaten

is dat ik je wil vertellen dat ik –
toen zij zich omdraaide om de grote,
kwetsbare cello in het bagagerek te tillen-

zag dat hij opkeek naar haar
en wat ze aan het doen was
zoals de ogen van heiligen zijn geschilderd

als zij opkijken naar God
als hij iets wonderbaarlijks verricht,
iets dat hem tot God maakt.

Bookmark and Share

Comments are closed.