Marie-Alice Boshoff. Alice Nahon
Die Vlaamse digteres se toeganklike eenvoudige gedigte was tydens haar lewe en na haar dood baie gewild in Vlaandere en Nederland.
Alice het nie `n gemaklike lewe gelei nie. Sy het `n slegte gesondheid gehad en was gedurig siek. In haar gedigte gee sy uiting aan haar eensaamheid, haar soektog na geluk en haar geloof.
Alice is gebore op 16 Augustus 1896 in Antwerpen. Sy was die 3de kind uit `n gesin van 11 kinders. Haar vader het sy eie uitgewery gehad.
Tydens die Eerste Wêreld Oorlog versorg Alice gewondes as leerling verpleegster in vogtige koue kelders wat ingerig is as tydelike hospitale. Sy word ernstig siek en die dokters diagnoseer haar met tuberkulose.
Sy bring meer dan ses jaar in versorgingshuise en sanatoriums deur tydens die periode begin sy gedigte skryf en haar eerste twee digbundels word uitgegee: Vondelingkens(1920) en Op zachten vooizekens (1921).
By `n besoek aan `n dokter in Switserland verneem sy dat sy nie aan tuberkulose ly nie, maar wel aan kroniese bronchitis. Al die jare se verblyf in sanatoriums was onnodig! Op doktersadvies vertrek sy na Italië waar sy baie goed herstel.
Na 5 maande keer sy terug na België, waar sy ‘n gewilde digteres is en in artistieke kringe beweeg.
In 1927 werk sy as bibliotekaresse in die Stadsbiblioteek van Mechelen en in 1928 verskyn haar derde bundel Schaduw.
In 1932 gaan woon sy in Antwerpen waar sy `n dodelike infeksie opdoen. Sy sterf op 21 Mei 1933. Sy was 36jaar oud.
In 1936 verskyn haar laaste bundel Maart-April van ongepubliseerde jeuggedigte.
Haar leserspubliek onthou haar as ‘n vroom, sieklike en naïewe meisie, maar wat verswyg word, is dat sy‘n onkonvensionele vrou met ‘n stormagtige liefdeslewe was.
Alice Nahon, Een hofke van geheimenis, Haar meest geliefde gedichten, Uitgeverij Verba
MASKERS
De mensen doen hun maskers af,
ze kijken vreemd elkander aan
verwonderd dat ze naast elkaar
lijk vreemden staan.
Nochtans ze stonden zij aan zij
in zelfde strijd voor zelfde brood;
Sleepten zij niet dezelfde sleur
van zorg en nood?
Viel niet dezelfde klacht en scherts
van uit hun bitter-blije mond?
Was ‘t niet of men de hele dag
elkaar verstond?
De mensen gaan zover vaneen
wanneer de schemering is nabij;
ze worden er niet triestig om
of ook niet blij.
Ze speelden immers maar een spel
waarin de ziel geen teken gaf;
ze deden enkel met elkaar
wat lief, wat laf.
En met een gauw-vergeten groet
een scheiding zonder lach of leed,
gaat ieder naar zijn eigen huis
dat stilte heet.
Daar zijn er die te dromen gaan
langs paden mul van schemering,
naar ‘t land dat ’s avonds schoner wordt,
herinnering.
En velen worden stil-devoot
om rein profiel van lief gelaat
dat in de voorhal van hun ziel
gebeeldhouwd staat.
Ik weet er ook die sprakeloos
en moede van d’ondankbre strijd
de avond danken om zijn uur
van eenzaamheid.
De mensen doen hun masker af,
hun mooie-spelen moe-gedaan,
och arme, zij die levenslang
gemaskerd gaan.
Gemaskerd door hun eigen trots,
vergulde lach of kranke lust.
Zij krijgen van geen enkle dag
wat avondrust.
Ze gaan, ‘lijk zwervers, altijd door
langs dageraad en avondrood;
ze vinden nergens ‘t eigen huis
dan in de dood.
ZO ZONG DE BLOEM IN DE VAAS
Ik ben een bloem van `t veld
Wie vroeg mij mee ter stede
Waar `k nooit meer bidden zal
`Lijk ginder in het rustig dal
Mijn simpele bloemgebede.
Ik stra hier in dees mooie vaas
Zo triestig te vrewelken
Gij hebt mijn herte zeer gedaan.
Ach mensen, zult gij nooit verstaan
De taal van bloemenkelken
Ik ben een bloem van `t veld
Voor mij geen tuin , geen snoeien.
Geen krachtige vaas die mij omknelt
Maar laat mij ginds, in `t vije veld
Bij dànderen bloemen bloeien.
En ben ik uitgebloeid
Ach, laat mij daar verslensen
En luister naar mijn laaste zang
Ik ben zo bang, ik ben zo bang
Te sterven bij de mensen.





