Alfred Schaffer. Tuis/Thuis

Dat was het dan. Zes jaar Amsterdam, meer is het niet geworden. Wat staat ons te wachten in Zuid-Afrika en in Kaapstad, weet jij dat? Moet ik zeggen dat ik vertrek, of dat ik terugkeer? Ik heb er wat oude foto’s bij gepakt, uit de jaren dat ik er woonde en jij alleen was in je Nederlandse flatje, en onmiddellijk is het er allemaal weer. De zee, de uitgestrektheid, de stenen leegte van de Karoo, de waakzaamheid ’s nachts in de stad, de oprechte hartelijkheid, de ruimte, de muziek, het licht, de lucht.

 

Heimwee

 

‘n Huis is iets wat teen ‘n helling staan

deur son gekonfronteer aan elke kant.

Maar let op: sê jy huis in hierdie land

dan dui jy drie beknelde kamers aan.

 

Hier is geen op- of afwaartsneiging, geen

geleidelike hemelvaart, geen lig

behalwe dié uit draad en glas verdig.

Die eendersheid is redelik en gemeen.

 

Agter ‘n grou en anonieme wal

hys die abrupte trap jou uit die straat

op na die sogenaamde huis, en laat

jou later stiptelik in die straat terugval.

 

Nooit wesenlik, alleen kineties, mag

jou hartritmiek, jou ribbebok wat hyg

die dodelike waterpas ontstyg

terwyl jy knutsel aan ‘n nuwe dag.

   

Amsterdam, Oosterpark

Amsterdam, Oosterpark

 De dozen op de gang, de onrust, het geregel, het bellen met allerlei instanties, het stof dat door de kamers zweeft – natuurlijk heb je het al lang in de gaten, waar je ook bent.

Emigreer is nie vir sissies nie. Opeens ben ik bij alles aan het aftellen. ‘Dit is waarschijnlijk de laatste keer dat ik in Nederland tandpasta koop’. ‘Nog maar een paar weken en dan is het gedaan met het tegen de wind in fietsen.’ ‘Hoeveel kopjes koffie zal ik hier nog drinken.’ ‘Dit is het laatste gedicht dat ik hier voltooi.’

De tijd in Amsterdam is een tussentijd geweest, een feestje, dat wel, maar één in een wat verwaarloosde achtertuin, op een verregende middag. Gijs zei het vorige week nog: het is alsof je altijd met een schuin oog naar Afrika bent blijven kijken. Misschien. Maar het ligt natuurlijk anders. Dat ik terugkwam en dacht jou hier aan te treffen, maar ik kon eigenlijk nog net zien hoe je je laatste adem uitblies.

Het is al na twaalf, ik heb nog even wat spullen op het internet gezet om te verkopen – Maya is nu weer stil maar daarnet was ze aan het zingen, zomaar opeens in haar slaap, geen idee van wat haar allemaal te wachten staat. ‘Lan sal suh leefuh. Hiephiep: hoela!’

Nu luister ik naar Spinvis:

Ronnie gaat naar huis
Kijk maar in zijn tas
Een cassette en de schelpen uit zijn la
Het ging een tijdje slecht
Maar dat is nou voorbij

Vreemd dat we straks moeten uitleggen dat haar eerste twee levensjaren zich in Europa hebben afgespeeld. Amsterdam, vakanties in Barcelona en Mallorca, het fietsen, het huis aan het park, eendjes in de vijver, de winkelwagentjes van Albert Heijn. Foto’s kijken, heel veel foto’s met sneeuw en fietsen en trams en dikke jassen en picknicks en de dierentuin en terrasjes en poffertjes, en veel sterke verhalen, net als jij over de oorlog, altijd weer die oorlog – je verhalen met een perfecte spanningsboog, over onderduiken, over de voettocht van Venlo naar Groningen, over Seyss-Inquart die je nog hebt gefotografeerd vanachter een lantaarnpaal.

Er scheurt een ziekenwagen voorbij, zo te horen richting de Linneausstraat. Waarom die sirenes ’s nachts aanmoeten, ik snap het niet – om het verkeer kan het niet zijn, er is haast geen verkeer op dit uur.

Hoe klonken ze ook alweer, die Kaapse nachten? Het zachte gebrom dat als een fijnmazig net boven de stad zweeft, een vlies, een nauwelijks hoorbare maar aanhoudende dreun die tegen de bergwand opstijgt via de steegjes en de straten. Mooi. Veel sirenes ook, meen ik me te herinneren, maar ijselijker dan hier, jankend, minder melodieus, ze vielen me destijds nooit zo op, sirenes horen nu eenmaal bij de grote wereld.

Kaapstad bij nacht

Kaapstad bij nacht

Ken je Elisabeth Eybers? Dat eerste gedicht hierboven was van haar, de andere twee die je zo zult lezen, ook. Eybers heeft Nederland nooit meer verlaten nadat ze er was aanbeland, maar ze was ook nooit helemaal aanwezig, is mijn indruk. Misschien dat je haar poëzie weleens hebt gelezen – geladen, zogenaamd terloopse taal is het, zonder wortels, ontstaan in een tussenruimte.

 

Winter

 

Soms voel hierdie ses stopverfmaande

soos ‘n eindeloos eenkleurige vlakte

van suigende kluite waardeur

ek my klewerige stewels moet sleep

 

Nou dink ek aan Julie in Johannesburg

geslinger oor heuwels deur holtes

die spits van ‘n hoëveldse winter

waar mens voortsweef al is dit oor asfalt

weerbarstige kwarts en graniet

 

Holderstebolder klouter

die binnestadtorings die lug in

hetsy ligblou satyn of korundum

vergiet vir die splinterige sterre

wat oombliklik aanknip en weer af

 

Oordag brand die son en snags vries dit

twee keer per etmaal oorbrug jy

die grens met ‘n verende sprong

en elke keer tintel jy anders

 

Altijd weer dat vertrekken, je laat steeds minder achter. Een paar schitterende vrienden, wat geluiden en gedenkwaardige gebeurtenissen, wat aangericht en opgelopen verdriet misschien, meer niet.

Binnenkort kom ik nog even langs, ik denk dat ik nog weet waar het was, waar ik stond aan de Maas met je as, en dan naar Sint Agatha, kijken of mamma en Dahlia er nog liggen, ik ben er zo lang niet meer geweest en ik wilde het allemaal vergeten maar volgens mij weet ik de weg nog blindelings. De paden met die grote keien en die groene haag langs de Veurse Achterweg.

En dat is het dan. Het vliegtuig in en opnieuw beginnen. In Kaapstad, in Stellenbosch. Vind je vast geweldig om te horen, ‘Stellenbosch’, die bomen vond je er zo mooi, toch? Ongelofelijk, over een paar weken openen we een flesje wijn op het strand terwijl de zon in de oceaan zakt, en over een paar maanden rijden we misschien wel de grens over voor een vakantie naar Namibië of Mozambique, of pakken we het vliegtuig voor een weekje Buenos Aires.

Wat een geluk dat de wereld zo groot is. Wat een geluk dat je overal poëzie kunt schrijven.

Het is alsof ik op de valreep nog allerlei herinneringen wil aanmaken, nietigheden opslaan die later een springplank kunnen vormen als mijn gedachten terug willen naar deze tijd.

De Turkse kleermaker, hij gaf vorige week een zakje chocolaatjes mee. ‘Voor de kleine.’

De ochtend van Valentijnsdag, toen ik Maya naar de crèche had gebracht, fietste ik langs een spandoek bij het vijvertje in het Vondelpark: ‘I’ve thrown your lp’s in the pond!!’

En ik zag nog een film over een man die doodging, heel langzaam, je merkte het eigenlijk niet aan hem, de dood zat al in al zijn gebaren, in zijn hele motoriek. Ik moest natuurlijk aan jou denken.  

Maar waarom vertel ik je dit, ik geloof dat ik eigenlijk iets anders tegen je wil zeggen.

Weet je wat, waarom ga je niet mee – ja, dat lijkt me eigenlijk het beste, jullie verhuizen alle drie gewoon met ons mee, houd ons maar een beetje in de gaten daar, het wordt geweldig om weer aan te landen maar het leven is er toch, hoe je het ook wendt of keert, niet zonder meer ‘beschut’.

Dus vergeet ons niet.

We gaan er wat van maken!

Dag pappa,

Alfred

 

Afstand

 

Under the hollow roof

The stranger’s voices come –

The night is dark, and I

Am far from home

Walter de la Mare

 

Van tyd tot tyd nog steeds die vreemde vraag:

jy – meestal u – het langsaamaan wel tuis

geraak in hierdie land?

Ek neurie nie die nag

is donker ek is ver van huis

maar knik welnemend vaag

en vals. Ek wortel elders, hoe sou ek my hier

kan tuis maak. Dinge en ek gaan aan mekaar verby

sonder herkenning. Daarom laat hulle my

met rus, versin geen hinderlaag, lê nooit beslag

en daarom kan ek hulle goed verduur.

 

Bookmark and Share

14 Kommentare op “Alfred Schaffer. Tuis/Thuis”

  1. Danny Degenaar :

    Prachtig stuk.
    Het ga je goed!

  2. Mooi, Alfred

  3. frans :

    Sjoe!

  4. Thomas Möhlmann :

    Dag mooie Alfred!

  5. Ronald :

    Beste Alfred,

    dank voor je (ont)roerende verhaal & heel veel geluk voor jullie. Ik hoop je daar een keer te ontmoeten.

    Ronald

  6. Mooi! En we blijven je lezen.

  7. Hans Sleutelaar :

    Zegt Oude Walrus: emigreren is, net als poëzie schrijven, eigen wetten volgen. Zegt Eybers:

    Opheffing van wat bind, beperk
    word op die duur ons lewenswerk.

    Leef gelukkig,

    Hans Sleutelaar

  8. Kiki Coumans :

    Bedankt voor je mooie stuk.
    Heb het goed!

  9. Tjitske Mussche :

    Tjee wat mooi… Het ga jullie goed!

  10. Jan Baeke :

    Dank je Alfred, om veel en daarvan alles. Niet op de laatste plaats je fantastische redacteurschap. Het ga jullie drieën goed. Jan jr. die komend weekend vijf wordt wil graag naar Afrika als hij tien jaar wordt, zegt hij. Alvast afspraken voor over vijf jaar? Hoop nu en dan te horen/lezen hoe het gaat.
    Hartelijks!

  11. Reindert :

    Dag Alfred,

    Elke maandagochtend op De Bij kijk ik een beetje onwennig naar je lege stoel. Waarom had die stoel geen fatsoenlijke autogordels? Laat veel van je horen en lezen, dat maakt het gemis vergeetbaar.

    Veel son op julle pad!
    Reindert

  12. Goed, er zijn heel wat zakdoekjes doorheen gegaan vandaag. Het was net even rustig.
    Het gesnotter nu is toch mooier. Maar verdomd, nu begint mijn neus ook weer. Die tranen wijt ik aan je mooie stuk. Prachtige, ontroerende woorden, Alfred.
    En die neus… dat is gewoon een aansteller, die wil ook gelijk meedoen als er vocht naar beneden biggelt.
    Het ga jullie goed, Alfred. In Stellenbosch, Kaapstad, op het strand, in die hele, grote wereld.
    En dat je je ook af en toe beschut mag voelen.

  13. engelienvanmaanen :

    lieve Alfred, zijn zeer ontroerd ’twas net wat W. nodig had , W. schrijft binnenkort..
    veel geluk voor jou en C en M, engelien

  14. Joop Vorster :

    Welkom tuis, Alfred.