Roel van Londersele. De slamdichter is een romanticus

Een poos geleden moest ik samen met  Joke Van Leeuwen, Peter-Holvoet Hanssen  en Rense Sinkgraven  gedichten lezen op het Zuiderzinnen-festival. Onze lezing stond vooral in het teken van  de Closing Time van het Antwerps Museum voor Schone Kunsten.

Rense Sinkgraven

Rense Sinkgraven

Van Rense Sinkgraven was me alleen bekend dat hij in 2007 Groningse stadsdichter was en zich beweegt in het circuit van de slamdichters. In Vlaanderen ben ik altijd een fan geweest van Marcel van Maele, slamdichter avant-la -lettre, met dien verstande dat de poëzie van deze oude meester ook overeind blijft op de nachttafel. Slamdichters hebben de grote verdienste dat ze hun neus niet ophalen voor het  poëziepubliek en dat ze het moeilijke genre van het gelegenheidsgedicht niet schuwen. Sommige exemplaren verwarren poëzie echter met tafelspringen, pamfletgeschreeuw en taalmoorden. Remco Campert schreef er een fenomenale, hilarische column over: ‘Als het maar geen poëzie is.”Moet je dringend lezen!  (in  ‘Tot Zoens’ zijn verzamelde columns, blz 359)

Met enige reserve wachtte ik dus op het optreden van Rense Sinkgraven. Die reserves werden onmiddellijk weggespoeld. Zijn slamgehalte bestond vooral uit charmante plankvastheid en respect voor het pleinpubliek. Verder alleen aandacht voor mens, stad en taal. Eén en ander zette me dus aan om zijn laatste bundel ‘Sloop de stad met tedere woorden’ te lezen.

 

omslag

 

 

Stad in blauw

 

De stad is een café in bloei.

We luisteren de gesprekken open,

spijbelen de magere tijd.

De koude vlam van korenwijn.

 

Lamplicht is ons onderkomen.

Zeg niet wat onuitgesproken was.

Het blauw zingt in je blauwe ogen,

je zwijgen vleugelslag.

 

In wijn ontluiken sterren.

De kastelein spoelt loom het glas.

Er is een hemel aan het verdwijnen,

een thuis dat leger wacht.

 

De stad speelt een belangrijke rol in deze bundel. Niet alleen Groningen, maar ook Lissabon, Newcastle, Meppel en spiegelsteden komen aan bod. Die steden worden aangekleed met het gemoed van de dichter en dat gemoed is doordrenkt met een zekere romantiek.

Hier en daar danst een meisje wat zonlicht in de dag, maar de melancholie en het verval zijn nooit ver weg:

‘Er is een hemel aan het verdwijnen’

‘Een dromer leegt zijn laatste glas’

‘Kranen en vergeten werven stutten de horizon’

‘vrouwen als buffels staren in schrale dromen’

‘Aan wie denk je bij avondregen’

 

De boten zijn leggeslagen, de nachten koortsig, het wachten duurt lang. De meeuwen kijken neer op lang verlaten havens, de stations zijn opgeheven, de speelvelden  leeg, de huizenblokken  tot bot ontvleesd.  Alleen Meppel is hip of stapt de dichter hier met ironie over de catwalk?

Er zijn ook wel een paar gedichten die ontsnappen aan die lichte Apocalyps, maar die zijn minder indringend. Het lijkt wel of de dichter pas de essentie bereikt als hij de werkelijkheid aankleedt met de Ondergang van het Avondland. Of hoeft dat niet? Misschien draagt die werkelijkheid sowieso dat verval in zich. Ik vermoed dat in de inborst van Rense Sinkgraven een melancholische  kamer klopt, die moeiteloos inspiratie vindt in het huidige wereldbeeld. En af en toe is er een glimp van de dichter die daaraan wil ontsnappen.

 

Wagon-Lits

 

De maan vangt wilde ganzen.

De nachttrein voert kadavers mee.

We stappen uit en vreten.

 

De botten afgekloven, tanden grif,

we malen scherp de pulp tot pap,

snuivende mormels aan de troggen.

 

De maan vangt wilde ganzen.

De nachttrein voert kadavers mee.

Stap in en zing.

 

 

Rense Sinkgraven: een dichter om te volgen. Op het podium, op de nachttafel.

Een dichter die zaait wat weerloos is.

 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.