Chris Coolsma. Blogdodend middel

Zo nu en dan verschijnen lijstjes in tijdschriften en dagbladen. Vooral rond de jaarwisseling is dat een traditie, die ik met zowel afkeer als blijdschap tegemoet zie. Ik heb namelijk een hekel aan de vraag wat ik ‘de tien beste….vul maar in…’  vind, of dat nu voor mijn hele leven of alleen voor een bepaald jaar geldt. Een variant van deze vraag is de onbewoonde-eiland-koffer. ‘Wat zou je meenemen naar een onbewoond eiland als je maar één rolkoffer van flink formaat mocht meeslepen’. En dan mag je daar muziek in stoppen, poëzie en literatuur, bijvoorbeeld. Dat is een onmogelijke opgave voor een liefhebber van het leven. Ik kan dat met gemak toelichten. Vanzelfsprekend gaat Bach mee, maar welke werken van Bach? En wie is de volgende? Beethoven? Mozart? Schubert? Bartók? Strawinsky? Mahler? En alleen liederen van Schubert, of ook kamermuziek? Of, nog erger, als ik maar één cd mag meenemen (het is wel een luxe eiland, met elektriciteit)?

Een onmogelijke opgave. Misschien is het eenvoudiger als ik de poëzieafdeling moet vullen, maar bij nader inzien vergt dat ook bovenmenselijke besluitvormingskrachten. Nijhoff? Achterberg? Pessoa? Elliott? Dickinson? Vroman? Rumi?

Tegelijkertijd roept dit probleem een kinderlijke blijdschap in me op, omdat ik mag laten zien hoeveel ik weet, wat ik allemaal voor inzichten heb over schoonheid, en hoe ongelooflijk bekwaam ik ben in het bepalen wie de allergrootste kunstenaars zijn. Bovendien wordt de zendeling in me wakker, die de hele wereld wil overtuigen van de onmisbaarheid van de ervaring van het lezen van X en het beluisteren van Y. Gemakshalve vergeet ik dat smaken verschillen, er is immers gewoon een algemeen gedeeld gebied van de allerhoogste kwaliteit? Wie vindt Schubert niet de grootste liedercomponist ooit? (Nu ik het zeg, ik niet, ik wil helemaal niet kiezen, ik wil ze allemaal. Alleen al ‘die Lotosblume’, of ‘Wo die schönen Trompeten blasen’ zou ik daar deerlijk gaan missen.)

Het is dus maar niets, die lijstjes. Behalve als anderen de moeite hebben genomen om hun lijstje op te stellen. Graag wel een paar tegelijk, zodat ik kan kiezen. En niet opgesteld door iemand die er economisch belang bij heeft, zoals amazon.com, die ons ongevraagd overstelpt met lijsten, gebracht op een toon van belangeloze vriendschap, maar uiteraard alleen maar bedoeld om de Consument in je aan te sporen tot geld uitgeven. Mijn favoriete lijstenmaker, ik geef het dan toch maar toe, is het weekblad de Groene Amsterdammer. Het is in Nederland vrijwel het enige opinieblad, dat mij aanspreekt als een volwassene die in staat is tot zelf denken, weet dat hij last heeft van vooroordelen, en die gedwongen moet worden om na te blijven denken. Een weekblad dat je een ongemakkelijk gevoel geeft, omdat je beseft dat je weinig echt goed hebt overdacht. Een weekblad dat je een heerlijk gevoel geeft, omdat je wordt aangesproken als een volwassene die op zoek is naar schoonheid in een foeilelijke wereld. En in dat weekblad staan dan in december de lijstjes van aan te raden leesvoer, gemaakt door compulsieve lezers die onderbouwde kritiek tot een ambacht hebben verheven.

In januari las ik de lijstjes van 2010 en daar stond enige malen een boekje in van ene Padgett Powell. Dat is altijd zo met de lijsten in een goed blad, daar vind je schrijvers waar je in je relatieve onbelezenheid nog nooit van gehoord had. Het boek van Powell is geheel gevuld met vragen. 175 pagina’s vragen. Ik raakte geïnteresseerd, kreeg het, begon te lezen en kwam er niet doorheen. Elke vraag vroeg niet zozeer om antwoord, maar om nadenken en weerwoord. ‘Wat is dit voor boek?’ vroeg ik me af. Dikwijls dacht ik ook: ‘is dit wel goed vertaald? Wat bedoelt Powell?’  Het lag een tijdje op de plank hinderlijk te wezen en op een dag kwam ik op de onzalige gedachte om alle vragen te gaan beantwoorden. Het zijn er ruim 3000. Ik leek wel gek. Al vaak heb ik me afgevraagd waarom ik schrijf. Maar dit sloeg alles. Dit slaat alles, moet ik zeggen, want nu ik er aan begonnen ben, moet het ook voltooid worden. Dus nu denk ik na over mijn houding tegenover de aardappel en of ik wol ook een wonder vind. ik vraag me af wat de grenzen zijn van wat ik nog wel en niet bereid ben te doen (hondenkoekjes eten, een meerval met mijn handen vangen?). Ik beantwoord de vraag wie de beste quarterback is met een tirade tegen amerikanisme. Voortdurend moet ik mij buigen over levensvragen en godsbewijs. Ik kan er behoorlijk moedeloos van worden, maar het is nog erg leuk.

Op mijn berichtje aan de schrijver kwam tot mijn verrassing antwoord (ik heb driemaal in mijn leven vragen gesteld aan een schrijver en slechts eenmaal taal noch teken vernomen. Zou ik als schrijver antwoorden op brieven die ik kreeg? Hoe zou ik me voelen als ik dat zelf nooit deed? Wie is je favoriete schrijver? Zou je hem of haar een brief willen schrijven? Waarom wil je dat? Moet je schaamte overwinnen om het te doen? Weet je precies wat je bijbedoelingen zijn? Heb je de neiging om vast te houden als je geen antwoord krijgt? Kan je je in de schrijver verplaatsen? Ben je eigenlijk een stalker?)

Uit Powell’s antwoord blijkt dat er in de wereld verscheidene mensen bezig zijn met beantwoorden van alle vragen in ‘The Interrogative Mood’. Een Zuidafrikaanse beantwoordt de vragen zelfs op haar blog. Je moet dat zelf uitvinden, lezer. Ik wil het niet lezen omdat ik anders niet meer spontaan en onbevooroordeeld mijn eigen antwoorden kan geven. Heb je ooit zo’n boekje bedacht? Waarom heb je het niet geschreven? Lijkt het je interessant om te lezen? Ben je bij voorbaat geneigd om de vragen te gaan beantwoorden? Wat zou je zeggen tegen de man of vrouw die daar aan begonnen is? Maakt zo’n project het boek van Powell beter, of juist minder goed? Heb je het gelezen? Vond je het boeiend?

Het is in elk geval dodelijk voor andere schrijfactiviteiten. Op dit moment moet ik hier over nadenken: ‘weet je hoe het lied van de nachtegaal precies klinkt?’ Nee, maar ik zou zijn zang onmiddellijk herkennen. In Nederland zingt geen enkele vogel zo na het vallen van de nacht. Ook ken ik het gevoel dat zijn zang mij geeft. Ooit begon een nachtegaal te zingen terwijl we een blokfluitsonate van Telemann speelden. Het was zomer. De tuindeuren stonden open. Wat me met de muziek nog niet gelukt was, gebeurde onmiddellijk. Ik was tot tranen toe geroerd.

Ik ga er dit blog er niet mee vullen, maar af en toe zullen zijn vragen en mijn antwoorden mij en dus ook jou, lezer, lastig vallen. Misschien wordt de blogdoder zo een blogstimulator.

Bookmark and Share

Comments are closed.