Luuk Gruwez. De ziekte van de poëzie

DE SIRENE

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het
meest zijn aandacht heeft getrokken. De recensie verscheen eerder in De
Standaard der Letteren.

DE ZIEKTE VAN DE POËZIE

Het is perfect mogelijk om in
‘Krijg nou de lyriek’, Benno Barnards voortreffelijke dichtbundel, een
verhaallijn te lezen. ‘De Bovenwereld’, de begincyclus, is een lang verslag van
een bezoek aan Parijs in de voetstappen van Apollinaire, die in het gedicht
‘Zône’ uit zijn bundel ‘Alcools’ iets soortgelijks heeft gedaan. De lichtstad
is in de vroege eenentwintigste eeuw een jachtrevier waarop Barnard zoekt af te
rekenen met de moderniteit én met een crisis in zijn persoonlijke leven.
Kennelijk verkeert hij in onmin met zijn levenspartner. Er is minstens sprake
van een embargo in hun relatie. De dichter, vruchteloos wachtend op een
telefoontje uit Brussel te midden van volop gsm’ende medemensen, loopt te
sukkelen met zijn mankementige ik en zijn onvermogen om over de brug te komen.
Hij limiteert zich in zijn Nederlands bewust tot de interpunctieloze, gepaard
rijmende verzen die ook Apollinaire in zijn gedicht beoefent. En hij probeert
zijn belaagde ego te stutten met een identiteit die hij hoopt te assembleren
uit een wereld vol cultuurhistorische en mythologische referenties. Tegelijk
krijg je het gevoel dat in zijn queeste-achtige tocht en in zijn tonaliteit
echo’s weerklinken uit ‘Awater’, het beroemde epische gedicht van Martinus
Nijhoff.

De mythe waarvan Barnard zich in
deze eerste cyclus bij uitnemendheid bedient is die van Orpheus. De dichter
bevindt zich evenwel niet in de onderwereld, maar juist in de bovenwereld: de
hereniging die hij nastreeft is die met een levende geliefde. In de relatie met
zijn Eurydice zit er namelijk een haar in de boter. Zij moet niet tot leven,
maar tot liefde worden gewekt. Of sjofeler uitgedrukt: een huwelijk dient
gered. De dichter vraagt zich af hoe dat moet. Als er één ding duidelijk is,
dan wel dat hij zich in het dichtbije Parijs bevindt, maar tegelijk heel ver
van zijn door en door Belgische vaderland, waar zij dan weer verblijft.

Er heeft overigens altijd veel
topografie, vol boven en onder, in Barnards werk gestoken. Dat
blijkt uit andere titels van zijn hand als ‘Het gat in de wereld’, ‘Het
ondermaanse’ en ‘Het hiernamaals’. Maar een van zijn markantste podia is steeds
het Avondland Europa met zijn talloze slagvelden geweest. Europa is moe van al
zijn oorlogen. ‘Ieder tijdperk is een strijdperk,’ schrijft de dichter in een
van zijn significantste verzen.

Maar goed. ‘Krijg nou de lyriek’
wijst er natuurlijk op dat Barnard  in
zijn poging om als een acceptabele burgerman thuis te komen, ook gebruik maakt
van het instrument van de poëzie. Lukt dat? Eigenlijk niet. Poëzie is een ziekte.
De titel klinkt als een verwensing: ‘Krijg nou de klere!’ Of: ‘Krijg nou de
kanker.’ Al is het dus beslist geen remedie, het is wel een ziekte die hij niet
missen kan. ‘je schrijft zoals iedere dag voor je leven (…)’, zullen wij
verderop te lezen krijgen. Niettemin weerklinkt er een zekere hoop aan het eind
van de eerste cyclus: waar Apollinaire in de laatste versregels van ‘Zône’ de
kreet ‘Adieu Adieu’ slaakt, schrijft Benno Barnard ‘Bonjour bonjour’. Tenslotte
blijft hij bij de bovenwereld zweren. ‘Alles moet blijven,’ stelt hij, ‘zoals het
nooit is geweest.’ Typisch voor de emo-conservatief die hij is, zowel in zijn
relatie met zijn geliefde als in zijn visie op de geschiedenis.   

Je kunt niet beweren dat de
dichter in de tweede cyclus zijn rust teruggevonden heeft. Veeleer kun je de
twintig gedichten die volgen, definiëren als een purgatorium waarin hij
nadrukkelijk reflecteert op wat de tijd en de oude dag met een mens kunnen
doen. Zoals in het gedicht voor zijn hoogbejaarde jarige vader, de dichter
Guillaume van der Graft, die hij confronteert met de eeuwen die hem hebben
gemaakt tot wat hij is. ‘Het was de tijd die jou gelukkig maakte (…)’: zo
adresseert de zoon zijn vader.

Heel anders klinkt het in een
gedicht waarin Barnards aan kanker gestorven vriend en collega Kamiel Vanhole wordt
gememoreerd. Hier gaat het over de tijd die deze laatste juist niet meer
krijgt, over de verdwijning van zijn machteloze lichaam en over het
schrikbewind van ‘de katholieke koning Kanker’. In het licht hiervan wordt de
dood omschreven als ‘een onhandige oplossing voor het raadsel tijd’. Zelfs in
dit in memoriam introduceert Barnard cultuurhistorische referenties, als gooide
hij zijn laatste reddingsboeien uit: een gedachte van Descartes, een paar
woorden J.C. Bloem, een wijsheid van Zen en een postmodernistische zwanenzang.
Precies hetzelfde gebeurt in een gedicht over een bezoek aan de kennelijk
Indische vrouw die hij als tandarts heeft. Prithivi wordt die genoemd. Het is
de naam van een hindoeïstische aard- en moedergodin. In haar tandartsenstoel associeert
hij er lustig op los. Het is overigens niet het enige gedicht waarin hij humor
en ironie toelaat. Een gedicht over een receptie is eveneens tongue in cheek geschreven, hoewel het
vermakelijke af en toe gelardeerd lijkt met tragiek: de dichter staat hier niet
meer aan het roer van zijn eigen bestaan, hij weet geen blijf met zichzelf, het
is het gezelschap dat zeggingskracht over hem verwerft.

Ook in deze cyclus blijft het
orfische motief de lezer treffen. Meermalen lieert Barnard het schrijven en het
zingen aan een soort baltsgedrag. In ‘Ars poëtica voor een blondje’ luidt dat
als volgt: ‘Hij liegt zijn niet te behappen gekkenpraat/ ten behoeve van het
binnendringen in vrouwen.’ Niet anders gaat het eraan toe in ‘Een liedekijn’.
Hier neemt Orpheus plaats in de figuur van Halewijn, de baldadige dichter par
excellence. De tragiek zit in het feit dat die nu eens niet onthoofd wordt:
‘Werd je hoofd maar op tafel gezet; zong/ je tong maar onschuldige liedjes over
de kloof/ tussen haar tieten, die naar een onbereikbare navel voert.’

Dat de hele bundel een soort reis
is van Orpheus naar Odysseus, blijkt uit ‘Zijne Kortstondigheid’, de
slotcyclus. De dichter, thuiskomend van zijn odyssee, schetst de mens als
onderdaan van de tijd en zoekt, geflankeerd door zijn twee grote dada’s, de
liefde en de (cultuur)geschiedenis, een onderkomen voor zijn ik. Eigenlijk,
krijg je de indruk, zou hij daaruit nog het liefst willen ontsnappen. En al
ondertekent hij een brief aan Karel van de Woestijne met het machistisch klinkende
‘Ego’, het is het lot van dichters ten slotte vergeten te worden: ‘Wees jij
maar dood in de schoot van de nacht,/ geen hond die je leest.’ Want aan het
eind blijkt dat het misschien niet Odysseus is die thuiskomt, maar zijn vrouw
Penelope. De dichter vindt zijn plaats niet meer in zijn ouder wordende ik. Er
zit niets anders op dan elkaar te beminnen, levenslang. ‘Bewonder elkaar.’ Zo
luidt het devies waarmee de bundel eindigt.     

__________________

BENNO BARNARD

Krijg nou de lyriek

Uitgeverij Atlas, 56 blz., 18,95 euro

 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.