Chris Coolsma. Gedachten over kunst

Onlangs waren we in een voormalige energiecentrale. Voormalig? Het is nog steeds een energiecentrale, maar de opgewekte energie heeft niet meer de vorm van elektriciteit en er worden ook geen fossiele brandstoffen meer omgezet in luchtvervuiling. Dit niet te bevatten gebouw, deze megalomane krachtcentrale, brengt nu creatieve energie voort. Wie er open van geest binnengaat, wordt geïnspireerd tot denken en, als het talent aanwezig is, tot scheppen.
Terwijl ik daar rondliep was ik me er niet van bewust wat er met me gebeurde. Maar nu weet ik het. Er ontstond inzicht.
Dit inzicht: kunst is van onschatbare waarde. Alle kunst. Want kunst is allereerst vrijheid. Vrijheid om te ontsnappen aan de barre werkelijkheid, maar ook vrijheid om de werkelijkheid tot in de ziel te ontmaskeren. Kunst is kritisch over de status quo. Kunst is twijfel, verrukkelijke twijfel. Er hoort niet één emotie bij kunst, maar alle emoties. En kunst is niet collectief, maar individueel product van vrijdenken, van humanisme.
Het is daarom dat in alle vormen van anti-democratische ideologie de kunst wordt bestreden, of aan strenge regels onderworpen. Die regels houden meestal in, dat alle vrijheid wordt verboden, of op z’n minst ernstig beknot omdat die regels luiden: ‘kunst moet zus of zo’. Het enig juiste in die regel is dat kunst moet. Bij de meeste religies hoort beeldverbod, of waarheidsverbod. Dat wil zeggen dat gepredikt wordt dat er maar één waarheid is, wat natuurlijk het tegenovergestelde is van wat kunst beweert. Bij communisme, misschien moet ik zeggen Stalinisme en de klonen daarvan, hoort hyperrealisme. Bij populisme hoort kitsch en bestrijden van kunst in de hier bedoelde zin. Bij ongebreideld kapitalisme hoort roof van kunst: de kunstwerken worden door de rijken voor zichzelf opgeëist. Zo eindigen werken die van ons allemaal zijn in de kluizen van patsers. Kunst is in die ideologie veranderd in geld. Over nazisme hoef ik niets te zeggen. Als pathologische misdadigers de macht grijpen, is het gedaan met alle vormen van vrijheid. Terwijl alle grote kunst revolutionair is, houden revolutionairen niet meer van vrije kunst op het moment dat zij de macht in handen hebben.
Dat heeft Tate Modern met me gedaan. Deze inzichten heeft het me gebracht. Vooral de doeken van Rothko, moet ik erbij zeggen. De meeste andere werken maakten geluksgevoel, herkenning en vrolijkheid in me los. Rothko’s fresco’s voor het eetpaleis van de patsers van New York kon ik pas weken later werkelijk zien. In de donkere zaal schold ik hem nog uit voor behanger. Later ontstond er een gedicht en in dat gedicht ontstond inzicht. Mijn inzicht. Daarna kwam de verbazing, toen ik een briljant artikel van Jones las en ontdekte dat mijn gedicht precies datgene tot uitdrukking brengt, dat Rothko bezielde. Dat had Rothko zelf dus met mij gedaan.
De boodschap is niet opwekkend. Misschien dat Rothko zelfmoord heeft gepleegd, omdat hij na het schilderen van deze gruwelen niet meer terug kon. Misschien omdat al zijn bloed in deze beeldloze beelden was gaan zitten. Nee, niet al het bloed. Jones begint zijn heldere analyse van de ‘Seagram paintings’ zo: Mark Rothko was found on the morning of February 25 1970, lying dead in a wine-dark sea of his own blood. He had cut very deep into his arms at the elbow, and the pool emanating from him on the floor of his studio measured 8ft x 6ft. That is, it was on the scale of his paintings. It was, to borrow the art critical language of the time, a colour field.’ http://www.guardian.co.uk/culture/2002/dec/07/artsfeatures

Lood/uit het lood
Silence is so accurate’ – Mark Rothko

Er is geen licht in Rothko’s schilderingen
zelfs na lang wachten, als mijn ogen zijn gewend
aan dit diepe duister zie ik geen contouren;
kerkermuren slechts een hopeloos vermoeden

– ontastbaar ver – van ruwe steen waar bloed
aan kleeft van handen die naar vrijheid klauwden
twee hoge ramen naar het violette gat dat hemel heet
en overal het zwijgen van gestorven martelaren.

Geen schoonheid hier, wat er aan beelden bleef
is weggeborgen onder langzaam bloedend rood
door dodelijk vermoeide handen meedogenloos
verborgen.

Handen.
Laag na laag.
Aan zichzelf geslagen.

En zelfs mijn woorden sterven dood
van het doordringend zwijgen dat de oude centrale
veranderde in lood, een blok van lood
in licht van lood, onder een lucht van lood.

Bookmark and Share

Comments are closed.