Frank de Crits. kleine grimmige gedichten

(zestien tot nu toe april 2011 )

 

kous (zij)

 

ik trek haar aan ik trek haar uit

zij ligt verborgen tussen wasgoed

zich te verkneukelen van plezier

zij ontdekte het gat in haarzelf

 

ik zoek haar vind geen dubbelganger

in het kerkhof van de verloren sokken

is er gehuil pijn over verlies

nooit zien ze elkander weer

 

 

broek (hij)

 

twee pijpen die rook ik niet ongestraft

een trap onder of boven

een kruis dat laat hangen

een rits in een flits

 

mama draagt hem

ik stroop hem langzaam op

omdat de kelder onder water staat

ik draag nooit witte sokken

 

 

vergrootglas (het)

 

hoe groot is mijn glas

dat ik mezelf zo groot zie

zo groot als mijn bal aan flarden

of groter dan de scheur in mijn beer

 

zijn grote mensen groot in mijn glas

of zijn ze juist zo klein als mijn duim

later word ik zeker een groot mens

als de mens mijn glas maar niet breekt

 

 

kapstok (hij)

 

hangt wezenloos eenzaam

te wachten op een kleed

dat gekreukeld zichzelf wil zijn

en parmantig gedragen

 

zonder haak is hij verloren

ik ben een gitaar zonder snaren

piano zonder toetsen

ik maak vallend geluid

 

 

mes (het)

 

ik snij je nog wel eens kapot

met mijn bot mes

ik doe mijn bord schreien

en streel je vlijmscherp

 

je bengelt aan een touw

en ik luk er niet in je weg te snijden

wat kan ik voor je ruilen

mijn lepel of mijn knikker

 

 

lepel(hij)

 

hij slurpt pletst duikt in de soep onder

van water met water en raap en een eenzaam

stukje vlees dat dobbert hij wijst

schraapt zand uit een dikke muur

 

ik zie ogen van vet hoop op een schuimspaan

ik schep ogen uit in een emmer vol

denk aan de oorlog van malaparte’s

verhaal een geschiedenis in de balkan

 

 

schoen (hij)

 

uitrappen die schoen zonder schroom

dat verlicht dat bevrijdt

zo kan ik over verlies praten

na het paardjesspel de pitjesbak

 

en over de knobbels in mijn veters

heb ik een filosofisch gesprek:

ze zijn parallel oneindig

kan ik de dubbele knoop ontwarren ?

 

 

vork (zij)

 

steken in kippenborst

en ananas veel te zoet

neerhof vrucht uit het zuiden

kerrie verbrandt gehemelte

 

ik plof  vier tanden in mijn dij

bruusk met woede op mezelf

vermink kwets mij

een framboos boven de knie

 

 

bord (het)

 

op het bord werd het hoofd

de tafel gezet

de erwtjes van de worteltjes

gescheiden in slagorde opgesteld

 

een slak gleed over mijn bord

met een vork haalde ik haar

net niet in noch met een lepel

onherroepelijk verdween ze aan de einder

 

 

washandje (het)

 

‘s morgens wrijft het ogen

verwijdert prut en slaap

wist mondhoeken uit

van borst en oksels zweet

 

mijn buik is gezellig rond

mijn lul vind ik heerlijk

om wassen rondom eikel

mijn aars tekent een zebrapad

 

 

zakdoek (zij)

 

vier geplooid in broekzak

geen uitstulping of bol

akelig en spannend

nooit  papier maar fijn linnen

 

ik haal natte snottebellen

uit mijn neus kijk er naar

slinger ze gezwind op zakdoek

ik ben het beste snotjong

 

 

knikker (hij)

 

schieten naar het lege putje

met duim in plooi van wijsvinger

knikker tegen knikker

kinderspel om nikkelgeld

 

ik spring erop en erover

win en knipper met de ogen

wimpers vol tranen

speel vals voor mijn leven

 

 

 

tafel (zij)

 

massief en parmantig op vier poten

staat ze eenzaam te pronken in de winter

met een ringvingerdik sneeuwkleed de

tuin is wit heeft groen verdonkermaand

 

omringd door naastenliefde tussen

wijn en woorden die slaan en kwetsen

in scherp sober zijn is de wraak lemmet

die familie middendoor snijdt om geld

 

 

stoel (hij)

 

hij stond bij haar zijn grote vriendin

te kraken en te zuchten en dichterbij

te komen hij wou een stukje van de

taart de kaart van de wereld uitgespreid

 

er ontstond een conflict over een morzel

gronds hij brak zichzelf op het hoofd

van zijn tegenstander sloeg aan spaan-

ders en stierf in de vreselijkste pijnen

 

 

mouw  (zij)

 

ik kan het vuil van de tafel vegen

en de kruimels verzamelen voor                                                                 

de groten de machtigen  om hun

wereld te behagen te ondergraven

 

ravachol blies jullie allemaal om

durruti schoot jullie overhoop

bakoenin beet in jullie oren

en ik wens jullie de tafelrand

 

 

de onderbroek (hij)

 

over het hoofd trekken met ezelsoren

uilskuiken verbaasd door waspoeder

witter dan wit onmogelijke vlek raar

de rekker houdt ballen sappen op

 

hij snijdt bilnaad middendoor een

ganse dag tekent hij een landkaart

met een kleur van bloed en sporen

van afgang zichzelf zien in een spiegel

 

 

de onderlegger

 

sporen van vertwijfeling wijn etens-

resten as van de nooit gerookte

sigaret in het café zonder bier

het gesprek verschraalt aan de rand

 

zo tekent hij de veldslagen  van de ebro

guadalajara jarama en brunete schematisch

met een potloodstift

 

 

de dolk (hij)

 

te glinsteren lag hij het lemmet

zo blank het heft  gegrift een naam

versierd met één robijn in het midden

zwart te schitteren in zijn hand

 

het bloed droop onheilspellend traag

of was het juist snel met één haal had

hij zijn keel overgesneden

al lang ver over de wanhoop heen

 

 

© frank de crits. mei 2011

 

 

frank de crits is geboren in Oudenaarde 24 december 1942. hij leeft en woont in Brussel sinds 1960, studeerde filosofie aan de Vrije Universiteit Brussel – studies die hij nooit afmaakte. hij werkte tien jaar in een verzekeringskantoor werkongevallen. daarna op het ministerie van cultuur:documentatiedienst. de crits was van 1980 tot 2009 secretaris van de middagen poëzie en proza in Brussel. hij publiceerde een zevental dichtbundels, de laatste in 2010:”dichterbij brussel”. hij is lid van het Brussels dichterscollectief; www.brusselspoetrycollective.net bestaande uit vier dichters uit verschillende taalgemeenschappen. de gedichten die u nu leest komen uit een binnenkort te verschijnen.

Bookmark and Share

Comments are closed.