Bert Bevers. Glasscherven op een muur, e.a. gedichten

Glasscherven op een muur

 

Eens zaten jullie om jenever heen en wijn maar

jullie moesten kapot, van fles naar gruzelementen.

Iemand heeft jullie ooit fluitend in cement gestoken. 

Gedacht: ‘Wat ben jij mooi stuk, glas, ik zal jou naar

het westen laten wijzen. Het beste lijkt me dat voor

 

jou, doorzichtig groen.’ Daar steek je nu van noen tot noen,

van winter tot winter. In oude handschoenen uw splinters.

 

 

Raid

 

Achter de scherven van een keukenraam tuimelt

op de vensterbank een buitelpoppetje na. Brood

bleef ongebroken. In de geurige boomgaard hijgen

verdoolde verkenners tegen een jonge laurier

uit. Ze schrikken hevig op van het ochtendlijk

 

genadeschot. IJlbodes talmen met de vlag

in top. Wachten op het runnen van het bloed.

 

 

Knetterende vlaggen

 

Heiliger dan het bloed van martelaren was

voor de profeet de inkt van geleerden. Dat

we dat weten, in koelen bloede weten. Geen

keuze. Veel oorlogen moeten nog beginnen, met

staal en holle leuzen. Aangewaaid komen langs

 

alle kanten woorden (het ene oor in, het andere

ook): kinderhanden moedertalen vaderlanden.

 

 

Aubade met geheven vuisten

 

Dit schamel verweer op krakende podia mag

de ochtend niet verontrusten. Terstond herzien

dan ook de dauw op krekels, dit houten gevoel,

deze verleden zonden. Oliehandelaren sturen

jonge soldaten met lege helmen ongekende landen

 

in. Zij kennen letters slechts van televisieschermen.

Straks zijn ze verder van huis. Verder zijn ze dan.

           

 

Trucage

 

Het is wat: een tijd waarin nog geloofd wordt,

een tijd waarin matrassen streepjes hebben,

uit kussens veertjes steken. Messen met

paarlemoeren heft trillen in geurig wildgebraad,

en van gezuiverde zinnen slaan vlammetjes.

 

Wij werden wie we zijn. Vermoed: achter

doorkijkspiegels worden kushandjes geblazen.

 

 

Pal

 

Achter stamelende ruiten laten mensen zich

groeten, zonder ongeduld. Het knispert van

woorden als zwerfvuur. Hoe kinderen overal

hetzelfde woord voor moeder kennen. Langer

thuis, bang er niet. En zeker niet van kleine

 

lettertjes. Vertrouw ze. Lees ze. Vrees ze niet.

Schrijf ze groot: KLEINE LETTERTJES!

 

 

IJzerhard

 

Stalen glans op paars blad. Op hoge stelen wiegt

de ijzerhard. Middaguur in onze hortus botanicus

liegt niet: het land van gisteren is toe. Alles bloeit.

Ik hoor kinderen op een nabijgelegen schoolplein

driewerf hoera roepen. Er wordt traag gesproeid

door een man die graag bezorgd lijkt. Soms wil hij

 

de tuin uit hollen en het op een gillen zetten, maar

zijn bladeren houden niet van geluid. Het ruikt naar

zoethout. Een koolwitje laveert tegen wind in, en zand

wijkt zachtjes voor zaad. Wolkjes zijn licht en de goden

nabij. Laat alle mensen maar weten waar de verhalen

over gaan. Wie een grens trekt heeft een huis.

 

 

                        (verschenen in de bloemlezing Smeedwerk,

                        Poëziecentrum Nederland, Bredevoort, 2007)

 

 

 

© Bert Bevers, 2011

 

Bert Bevers (º 1954, Bergen op Zoom, Nederland) is dichter en beeldend kunstenaar. Hij werkt en woont reeds sedert de vorige eeuw in Antwerpen (België). In 1997 verscheen Afglans, een bloemlezing uit zijn eerste uitgaven. Sindsdien verschenen de bundels In de buurt van de wereld (2002), de viertalige editie Reservoir (2004), Uit de herinneringen van een souffleur (2005), Onaangepaste tijden (2006), Lambertus van Sint-Omaars beschrijft de wereld (2007) en Andere taal (2010). Later dit jaar verschijnt Arrondissementen, met twintig gedichten bij de arrondissementen van Parijs. Hij schrijft geregeld poëzie bij het werk van beeldende kunstenaars als Ron Scherpenisse en Bert Timmermans. Bert Bevers is lid van de raad van bestuur van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen. Hij onderhoudt verschillende blogs, die te ontsluiten zijn via zijn website www.bertbevers.com
Bookmark and Share

Comments are closed.