Delphine Lecompte. Grote moeder en kleine God

Ik zoek God

 

De oude kruisboogschutter kan niet in God geloven

Dat is toch wel jammer

(Ik zou willen schrijven: ‘Het is godgeklaagd.’

Maar dat zou goedkoop zijn)

Wie moet er mij nu overtuigen

Van Gods bestaan?

 

Mijn ouders zijn natuurlijk ook ongelovig

Mijn vader is ongelovig geboren

En mijn moeder is ongelovig geworden

Toen ze drie maanden zwanger was

En haar vergeelde touwslager zag

Stikken in de eerste dierentuin van Oost-Europa.

 

In een wesp is hij gestikt

Die wesp was geen dierentuindier

Mijn moeder was zwanger van mij

De touwslager zou mijn eerste stiefvader worden

Hij had al een kruippakje voor me gekocht

Op de borst stond een brulapin in een duikerspak.

 

Ik vind God in de supermarkt

Hij twijfelt tussen lamskoteletten

Hij twijfelt aan zijn eigen bestaan

Ik spreek hem aan

En hij verandert in een verflenst blaadje ijsbergsla.

 

Ik wacht tot er iemand uitglijdt

En haar bekoorlijke nekje breekt

Maar niemand glijdt uit

Uiteindelijk raap ik het blaadje op

Steek ik het in mijn mond

Dan is het bitter.

 

 

Ik wil niet vermoord worden door mijn moeder

 

Wist ik maar wat

Te doen met de rest van mijn leven

Ik kan toch niet iedere dag naar de zoo gaan

Om kamelen in gevangenschap te zien leven

Ik kan toch niet iedere dag mijn moeder bezoeken

Om haar te vragen waarom ze mij wil vermoorden.

 

Ze ontkent het natuurlijk

‘Zoeteke, zotteke, ik wil je niet vermoorden,’

Zegt ze altijd

Altijd in het Oost-Vlaamse dialect van haar ex-schoonbroer

De jongste ex-schoonbroer

De maffieuze cobraschilder.

 

Vandaag bezoek ik moeder noch kamelen

Ik schrijf simpelweg een gedicht

In de derde strofe word ik opgebeld

Het is mijn werkgever

Hij geeft mij afschuwelijk werk

Ik moet van hem de ruggen wassen

Van valse profeten die op het punt staan te willen sterven.

 

Soms moet ik lager zakken

En ook hun achtersteven onder handen nemen

De meeste profeten dragen hun aars op hun buik

Ik zeg tegen mijn werkgever: ‘Vandaag blijf ik thuis.

Mijn moeder is ziek en ik moet haar onziek maken.’

‘Bedoel je gezond?’ vraagt hij frank

Ik verbreek de verbinding.

 

Het was maar een halve leugen

Mijn moeder is ziek

Maar ik kan haar niet onziek maken

Ik ben toch geen heks

En mijn avondcursus homeopathie heb ik nooit afgemaakt.

 

 

Is het geloofwaardig?

 

Is het geloofwaardig dat ik bevriend ben

Met een analfabete jongenshoer?

Ik moet het mij niet afvragen

Het is niet mijn taak geloofwaardig over te komen

Dus sta ik oog in oog met een nijlpaard

Terwijl de jongenshoer een student verleidt.

 

Het nijlpaard leeft in gevangenschap

De student tekent haar

Ook ik sta op zijn tekening

Ik lijk een minuscule hap te nemen uit het nijlpaard

De jongenshoer stottert: hippo, hippopo, hippopot

‘Hoera!’ Klinkt uit het lokaal waar de uilenvoeders samenhokken.

 

Er is er een jarig

De op een na oudste uilenvoeder

Hij heet Hubert

Toen ik was opgenomen in de psychiatrie

Heeft een Hubert mijn adressenboek gestolen

En jarenlang mijn ex-lerares Protestantse godsdienst gestalkt

Omdat ik haar naam in rood omcirkeld had

Ze zijn morsdood.

 

Terwijl de minst favoriete collega van Hubert klaagt

Over de elleboogeczeem van zijn minnares

Denk ik terug aan al de spreekbeurten

Van mijn angstvallige kindertijd

Het spijt mij

Dat ik nooit een spreekbeurt over nijlpaarden heb gegeven.

 

 

 

X of Y

 

De oude kruisboogschutter ontleedt een klok

Terwijl ik twee verdiepingen hoger mijn teennagels knip

Naast mij op zijn bed ligt een kat te staren

Naar piepschuimkorrels op het vloertapijt

De wind schudt ze op

Zodat het lijkt alsof we aan het plafond plakken

En het omgekeerd sneeuwt.

 

De piepschuimkorrels hebben een koffiezetapparaat beschermd

Vorig jaar gewonnen

Een uur geleden uitgepakt

Het is het enige huishoudapparaat

Dat de oude kruisboogschutter vorig jaar heeft gewonnen

Het is beter dan niets

Het is nuttiger dan de rammelaar die mijn moeder heeft gewonnen.

 

Geen mannetjeskonijn

Maar een stuk speelgoed voor baby’s

Wordt door een toerist in een bloembak geplant

Het is de bloembak van de bakkersvrouw

Ze is vorige week overleden

Mathilde zegt: ‘Tuberculose!’

De oude kruisboogschutter zegt: ‘Gestoken in de milt

Met een Japans mes om palingen te villen.’

 

Ik geloof de oude kruisboogschutter

Wanneer hij zegt dat hij mij graag ziet

Hij gelooft mij niet

Wanneer ik hem vertel dat ik ooit een deel van een tweeling was

Het jongste deel van een eeneiige tweeling

Tot we zeven jaar waren

En ze stikte in een scrabbleblokje

Het was een X of een Y.

 

 

© Delphine Lecompte. Junie 2011

Bookmark and Share

Comments are closed.