Yves T’Sjoen. Verhalen van ANNA

Verhalen van ANNA. Aanzetten voor discursieve lezingen van een tweetalig woordenboek

Woordeboek

Woordenboek

De satirische staalkaart van ingesleten clichés en burgerlijke platitudes, door Gustave Flaubert opgetekend tussen 1850 en 1880 en postuum verschenen als Dictionnaire des Idées Reçues (1913), is wellicht het bekendste en meest scherpzinnige woordenboek uit de wereldliteratuur. De vraag of Flaubert zelf en later vele critici de dictionnaire al dan niet als woordenboek opvatten, laat ik hier maar even terzijde. Elk woordenboek, waarin lexicografische verklaringen zijn opgenomen, presenteert een in woordlemma’s versplinterd beeld van conventionele denkpatronen, cultuurgerelateerde gewoonten, maatschappelijke ontwikkelingen. De Franse schrijver heeft met zijn imposante dictionnaire het dominante discours van het Second Empire onder het bewind van Napoleon III en de Franse samenleving van zijn tijd een bolronde schertsende spiegel voorgehouden.

Naar aanleiding van de recente uitgave van ANNA, het acroniem waarmee het Groot Woordenboek Afrikaans-Nederlands wordt aangeduid, hoorde ik op de Vlaamse cultuurzender Klara de lof zingen van het Afrikaans. De loftuiting berustte niet, zoals wel vaker het geval is, op postkoloniale of infantiliserende gronden, maar attendeerde op de geweldige taalschat die het Afrikaans te bieden heeft. Tegelijk zegt het boek, waaraan meer dan een decennium door noeste taalverzamelaars is gewerkt, veel over de dynamiek van het Afrikaans alsook over de linguïstische en culturele banden met het Nederlandse taalgebied. Uiteraard vertoont het woordenboek, met lemmata die Afrikaanse en Nederlandse woorden alfabetisch en dus door elkaar catalogeert, gebreken. Taal is een levend organisme en maakt het voor de lexicograaf per definitie onmogelijk haar in alle schakeringen en gedragingen te vatten. Elke poging tot grijpen is een noodzakelijke maar vergeefse onderneming. Op Litnet, zo las ik via een link op deze weblog, is een bedenking geformuleerd over ontbrekende of misschien wel eenzijdig verklaarde woorden. Ikzelf ben vooral nieuwsgierig naar een verschuivend maatschappelijk discours, niet alleen vóór en na de memorabele aprilmaand van 1994, naar gevolgen van een linguistic turn die door de druk van het Engels is ontstaan of zelfs naar indicaties van een nieuw linguïstisch elan, die in het hedendaagse Afrikaans sporen moeten hebben nagelaten. Ik hoor wel eens spreken over een ‘derde’ Afrikaanse taalbeweging. De mogelijk als traumatisch ervaren verdrukking van het Afrikaans in de postapartheidsperiode, door de tentaculaire omarming van het Engels, is me wel eens voorgesteld als vergelijkbaar met taalbewegingen in het laatste kwart van de negentiende eeuw én aan het begin van de twintigste eeuw. De vraag is in welke mate taalbewegingen, in zich wijzigende sociopolitieke en culturele contexten, vergelijkbaar zijn.

Een eigen verkenning van ANNA moet daarnaast nog uitwijzen of Kaaps-Afrikaans, Oranjerivier-Afrikaans en Standaard-Afrikaans onder de generaliserende noemer van ‘Afrikaans’ zijn geregistreerd. Een analoge vraag geldt het gebruik van ‘Nederlands’ in de titel van het woordenboek. In hoeverre zijn ook “gewestelijke” Vlaamse woorden, zegswijzen en uitdrukkingen in het woordenboek meegenomen, in welke mate sluit het Afrikaans van vandaag (minder) nauw aan bij het Nederlands dat in Nederlandstalig België wordt gesproken?

Woordenboeken heb ik altijd als een ongemeen rijke bron voor lezer en schrijver beschouwd. Nog steeds koester ik de Woordenlijst Nederlandse Taal (2e druk, 1956), het vroege “Groene Boekje” dat ik graag naast de druk van 2005 leg. Ik verzamel Van Dales: het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal (10e druk, 1976), het Handwoordenboek (7e druk, 1956), en van latere datum tal van etymologische woordenboeken, verzamelingen van ‘vreemde woorden’ en ‘synoniemen-woordwijzers’. Elke nieuwe herziene druk van een woordenboek vertelt een eigen, zeer tijdgebonden verhaal. Het is revelerend verschuivingen in woordbetekenissen op te tekenen, na te gaan welk maatschappelijk discours in lemma’s en lexicografische duidingen resoneert. Woordverklaringen vertellen de lezer veel over denkwijzen, culturele denkpatronen, discursieve conventies in een taalgemeenschap.

Ik weet het niet maar ben wel benieuwd in hoeverre ANNA een Dictionnaire des Idées Reçues is. Het metaverhaal van een woordenboek, dat altijd méér is dan een anonieme en van de particuliere taalgebruiker zelf ontheven verzamelplaats van woorden en hun betekenissen, vertelt de lezer open en bloot maar daarom niet minder subjectief over courante gebruiken en rituele gewoonten. Taal is geen statisch gegeven en evenmin een neutraal organisme. Daarom weet ik dat ANNA veel meer dan een liefdeshistorie presenteert, zoals in een Zuid-Afrikaanse vermeld stond, tussen twee verwante talen. Afhankelijk van de taalkundige bron is er sprake van “zuster”- of “dochtertalen”. Een comparatieve lezing van de meest recente editie van Van Dale, en bij uitbreiding van Afrikaanse woordenboeken, én de presentatie van Afrikaans en Nederlands in ANNA vertelt ons vermoedelijk een verhaal over hoe de Zuid-Afrikaanse, Nederlandse en Vlaamse redacteurs deze bilinguale of taalvergelijkende registratie hebben opgevat. Dat het boek een impliciet overzicht van Afrikaanse, Nederlandse en Vlaamse “idées reçues” biedt, zal onderzoek op deze aantrekkelijk gepresenteerde ANNA uitwijzen. Alles van taal is niets anders dan een manier van denken.

Bookmark and Share

Comments are closed.