Janita Monna. Interview met Les Murray

Aussie Les Murray (1938) is in Rotterdam. Voor de vierde keer is hij te gast op het Poetry International Festival. Zijn imposante oeuvre dat meer dan veertien dichtbundels telt, naast talrijke essays en een roman in verzen, maakt hem al jaren een Nobelprijskandidaat. Voeg daarbij zijn opvallende, corpulente verschijning, onopvallend gehuld in slobbertrui en baseball cap, en je hebt een dichter van wereldformaat.

Murray komt net uit Schotland, het land dat zijn voorouders in 1848 verlieten om met een houten boot de overtocht naar Australië te maken.

Hij groeide op in Bunya, een geïsoleerd dorp gelegen in een vallei tussen twee heuvels. Zijn vader, aanvankelijk houthakker, werkte op de boerderij van zijn grootvader. ‘Hij werkte gratis, in ruil voor de belofte dat het land later van hem zou zijn,’ verhaalt Murray de geschiedenis die op een drama zou uitlopen. ‘Mijn grootvader liet mijn vader uiteindelijk niets na. Hij hield mijn ouders arm.’ Murray is ervan overtuigd dat de miskramen die zijn moeder kreeg mede veroorzaakt werden door zorgen. Ze stierf tijdens de derde zwangerschap, Murray was dertien.

Veel van de familiegeschiedenis – de Schotse komaf, portretten van zijn vader, moeder – is, meer of minder expliciet, in zijn poëzie te vinden. En al schreef hij ooit het gedicht ‘Thinking about aboriginal land rights, I visit the farm I will not inherit’, hij kocht een huis in de buurt en woont een groot deel van het jaar in de bush waar hij opgroeide. De rest van het jaar reist hij, leest hij voor op festivals, geeft lezingen.

Bij zijn laatste bezoek aan Poetry International, in 1998, hield hij een lezing ter verdediging van de poëzie. Heeft poëzie die verdediging nog altijd nodig?

‘Nee en ja. Poëzie zit in de ziel van alle kunst, in zoverre zal ze altijd voortbestaan. Maar als kunstvorm op zich moet poëzie verdedigd worden. Ieder mens heeft een gevoel voor poëzie, en toch is ieder mens geneigd ervan weg te lopen, er beschaamd over te doen. Diezelfde schaamte voelen mensen bij religie. Ingewikkelde zaken liggen sociaal nu eenmaal lastig. In gesprekken moet de toon licht blijven. Over diepe zaken mag je best praten, als je er maar geen woorden voor gebruikt. Je mag het uiten in muziek, of dans, of een beeldhouwwerk, maar niet in taal. Ik beschouw poëzie als een completere manier van spreken dan enige andere vorm van communicatie. In een gedicht kun je meer doen dan in een roman. Het zijn ideeën die ik voor het eerst uitwerkte in ‘Poezie en religie’.

Dat gedicht (uit 1987) opent als volgt: ‘Religies zijn gedichten. Ze verenigen/ ons daglicht-ik en onze dromende ziel, ze brengen/ onze emoties, instinct, adem en aangeboren gebaren// bij elkaar in het enige hele denken: poëzie.’

Murray: ‘Het is voor mij nog steeds belangrijk. Ik zie een gedicht als een kleine, snelle religie; omgekeerd is een religie een groot en traag gedicht, dat eeuwen nodig heeft om tot wasdom te komen. Een gedicht lees je één, twee keer in je leven. Het is snel, maar heel compleet. Het heeft, in tegenstelling tot religie, niets van buiten nodig. Een gedicht ontvangen mensen in stilte, niet met gejuich of geschreeuw, zoals rock ‘n roll. Ik zou doodsbang worden als ik werd toegejuicht na het lezen van een gedicht, zou denken dat mijn woorden vergiftigd waren. Voor de waarheid zijn we stil.’

Zijn werk is veelomvattend. Naast zijn familiegeschiedenis, toont het verbondenheid met Australië, de aboriginalcultuur, de natuur – de mooie en gewelddadige kanten – zijn liefde voor snelheid, voor machines (hij portretteerde de graafmachine, de straaljager, landbouwmachine). En nu en dan laat hij zich stevig uit over de Australische critici, de literair-wetenschappelijke wereld en maatschappelijke zaken. ‘Veel van die maatschappijkritische verzen vind ik achteraf te oppervlakkig. Maar soms zijn er dingen waarover ik móet schrijven. Ik ben in mijn tienerjaren flink gepest, enig kind van het platteland, een dikkerd. En nog altijd kan ik er niet tegen als mensen onheus behandeld worden.’ Hij nam het bijvoorbeeld in het gedicht ‘A deployment of fashion’ op voor Lindy Chamberlain: haar baby verdween spoorloos. Ze zei dat het kind door een dingo was geroofd, maar werd niet geloofd en belandde voor moord in de gevangenis. In de kranten werd een heksenjacht op de vrouw geopend. Murray haalde fel uit tegen met name de vrouwelijke journalisten, ‘who’ve moved/ from being owned by men, to being owned by fashion’. Het gedicht had z’n effect, het bashen stopte.

Als vanzelf belandt Murray bij wat hij lachend ‘the poets flew’ noemt, zijn depressies. ‘De eerste depressie was mild, die verdween toen ik trouwde en ging werken. Rond mijn vijftigste werd ik opnieuw overvallen door depressiviteit, nu veel erger.’

In Rotterdam leest hij onder andere het gedicht ‘Paniekaanval’, met de regels: ‘Het brein was een leegte/ of een ontplofte kamer…/ flarden spraak daarin,/ splinters lust en gebed.’

Murray vertelt: ‘Zo’n paniekaanval is een soort fantoomdood. Je kan niet praten, denken, niks, je bent kreupel. Het is of je doodgaat, maar dat gebeurt niet. Na de laatste, langdurige depressie ben ik opgehouden met het schrijven van proza. Ik wilde m’n energie nog alleen stoppen in wat ik écht belangrijk vond.’ Wel schreef hij daarna een roman in verzen, Fredy Neptune.

Ondanks die depressiviteit en een ernstige leveraandoening waarvan hij na drie weken coma herstelde, is zijn werk vrijwel nergens zwaar, maar vol leven, met een haast overweldigende beeldenrijkdom. Het is gevat en geschreven in een dansend ritme dat goed te horen is als Murray nu en dan tijdens het gesprek enkele regels voorleest. Zoals uit het zinnelijke ‘Rijp in het prieel van de neus’ waarin hij het heeft over ‘de bijziende smaak van een citroen’. Al kan hij het ook niet laten om zijn eigen enthousiasme over het gedicht te temperen met een kritische kanttekening: ‘Ach ja, er zit al zoveel koeienurine in de grond, dat ik maar citrusfruit ben gaan verbouwen.’

Venijniger is hij als het gaat om groene politiek: ‘Natuur is meedogenloos. Ze heeft bloeiende bloesems maar de tanden van een dingo. Twee jaar geleden waren er afschuwelijke bosbranden in Victoria, door de groene politiek die ieder onkruid laat woekeren stierven er meer mensen dan er zonder al die regels voor natuurbehoud zouden zijn gestorven. En er verdween meer bos. Groene politici zijn onwetend en hypocriet, na de bosbranden hoorde je ze niet meer.’

Murray beschouwt de mens en wat hij voortbrengt als vanzelfsprekend onderdeel van het universum dat zich uitsterkt in ruimte en tijd. Hij leest een fragment uit ‘Maanman’, waarin hij de maan voorstelt als levend wezen, dat op zijn beurt de condities voor leven op aarde mogelijk maakt: ‘Maanman, de eerste geboorte ooit/ die nog altijd zijn moeder masseert/ en haar licht stuurt, als dank// dat hij volwassen werd geboren.’

Het gedicht verpakt min of meer wetenschappelijke feiten in mythologische beeldtaal. ‘Het zou een aboriginal mythe kunnen zijn,’ zegt Murray, ‘maar is dat niet.’ En hoewel zijn denken en zijn poëzie zijn doortrokken met aboriginal invloeden, is hij er de laatste tijd terughoudend mee om in zijn werk van de aboriginal cultuur te lenen.

‘Ja, dat is ineens verdacht. In de ogen van de critici althans. Er zou al zo veel van ze gestolen zijn.’ Trekt Murray zich daar als outsider binnen de poëzie en criticaster van het establishment iets van aan? ‘Ja, toch. Ik ben alleen, zij zijn met duizend. Het zijn net dingo’s.’ En als hij de Nobelprijs krijgt, verandert de houding van de critici dan niet? Murray schaterlacht: ‘Dan wordt het alleen maar erger. Dat zou gezien worden als de overtreffende trap van mijn arrogantie.’

 

Kinderlogica

 

Het kleinste meisje

in de bende van de wildebras

onderwierp haar vinger

aan zijn strijdbijlfantasie…

 

Het deed erge pijn, toen die eraf viel.

Hij wist dat hij te ver was gegaan

en holde weg, met de rest op sleeptouw.

Later zou hij haar broer nog verminken.

 

Ze bleef in het bos

tot zonsondergang, schreef

er met bloed op de stammen,

haar gekliefde hand omklemmend, bang

 

wat haar ouders wel niet zouden zeggen

over een kwijtgeraakte vinger.

Niet opgepast. Domme kinderen.

Ze moest ergens iets fout hebben gedaan.

 

 

Les Murray

vertaling: Maarten Elzinga

 

Dit interview verscheen eerder in Trouw.

 

Janita MonnaJanita Monna was werkzaam als programmamaker bij het Poetry International Festival Rotterdam. Ze werkt nu als freelance journalist, en schrijft recensies, interviews en beschouwingen voor onder meer Dagblad Trouw en poëzietijdschrift Awater

 

 

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Janita Monna. Interview met Les Murray”

  1. Ivan Mocke :

    ‘n Heerlike oorsig en onderhoud, Janita! Dit laat my omtrent uitsien na jou volgende stukke … 🙂