Janita Monna. Leonard Nolens – Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen

Leonard Nolens schrijft zichzelf. Zo zou Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen, zijn nieuwste bundel, samengevat kunnen worden. Zo zou zijn hele omvangrijke oeuvre getypeerd kunnen worden. Want daarin zijn autobiografie en wereldse zaken, persoonlijke worstelingen en de tijdgeest op intrigerende wijze ineengestrengeld.

Meteen in de eerste afdeling legt Nolens zijn kaarten op tafel. In het gedicht ‘De krantencommentaren’, klinkt het vermanend:

‘En wees niet bang voor de gedachtegang/ Van je bloedeigen stilte vanmorgen, (…)/ Het hoogstpersoonlijke wordt brandend actueel.’

Blijf dicht bij jezelf, spreekt de dichter zichzelf toe, en sluit het wereldnieuws in kranten en op de radio zoveel mogelijk buiten: ‘Zet je radio, je laptop, je televisie niet aan,/ Maak van je ogen en oren geen ramptoerist.’

Maar met die oproep tot buitensluiting van de wereld, heeft Nolens haar tegelijk het gedicht in gehaald. Waarmee hij zich ook in de aanhoudende discussie over straatrumoer in de poëzie begeeft. Een onderwerp waarover hij zich al vaker uitliet – bijvoorbeeld in het oudere gedicht ‘Engagement’: ‘Wereldvreemd, zeg jij. Maar vreemd aan welke wereld?’

Hij stapt in ‘De krantencommentaren’ vloeiend van binnen naar buiten en terug, in taal althans. Want met de wil tot buitensluiten van krantenkoppen en journaals, is de verleiding om te weten wat er gaande is niet verdwenen. En na de strenge aansporing om ‘de koffiezwarte drukinkt van andermans ellende’ niet te drinken, wordt de krant toch mar gekocht. En via een toespeling op de actuele politieke staat van België, belandt het gedicht uiteindelijk weer bij persoonlijke plaatsen van herinnering.

Het gedicht hangt subtiel van tegenstellingen en samensmeltingen aan elkaar, Nolens zal niet voor niets een woordspelige toespeling op Hegel hebben gemaakt.

Leonard Nolens

Leonard Nolens

Nolens toont hier wat voor een machtige dichter hij is. Eén die het onbuigzame ijzer van de taal, het onwillige materiaal als een smid net zolang hamert en smeed tot het zijn vorm is geworden, tot de zinnen helder zijn, zingen en vonken doet wegschieten. Tot de bezwerende cadans in de regels zit die in Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen opnieuw nadrukkelijk voelbaar is. Zoals in de indrukwekkende cyclus ‘Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen’, over (falend) ouderschap, het doorgeven van gewoontes, gedachten, gebruiken van generatie op generatie, over onmacht.

 

Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen.

Zeg aan de dochter die danst in haar slaap

Dat een droom van een wals geen beroep is, zeg

Dat het draaiziek omhaal van een driekwartsmaat

Haar voeten verknoeit. Wij leerden haar lopen

 

Om traag en bedachtzaam ons leven te leiden.

 

Behalve een scrupuleus en streng getoonzet onderzoek naar wat ouderen aan de kinderen doorgeven, is het een poëticale cyclus, die aanschopt tegen hedendaagse kunstopvattingen.

Maar het bezwerende effect, dat iets wegheeft van de trans van de dansende derwisjen (Nolens gaf een van zijn eerdere bundels de titel Derwisj), is niet in de hele bundel even sterk. Dat kan ook haast niet bij een zo hoge inzet, en zo Spartaanse vorm. Er zijn momenten waarop die steeds herhaalde gebiedende wijs zijn kracht verliest en monotoon wordt. Iets drammerigs krijgt, zoals in de afdeling ‘Devies’ waarin minder pregnant verwoorde echo´s van eerdere bundel verzen klinken.

Dat neemt niet weg dat in Zeg aan de kinderen…in elke komma is voelbaar wat er voor de dichter op het spel staat. Dat schrijven leven is, en omgekeerd. Op het omslag van Zeg aan de kinderen… staat een beeld van een te grote, naakte rondhoofdige oude man. Het hyperrealistische beeld van Ron Mueck komt terug in de reeks ‘Broer’, opgedragen aan een overleden broer. Het is evengoed een beeld voor de dichter die zich blootgeeft, zich bewust dat die verschijning niet altijd even fraai is. Maar wordt de poëzie te zwaar op de hand, dan brengt een ietwat vettige klankherhaling, of een soms haast kinderlijke woordspeling de boel weer in proportie.

Misschien is Nolens’ poëzie wel het beste bewijs dat een dichter de barricaden niet ophoeft, om toch heel erg een dichter van nu te zijn.

 

Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen

 

1.

 

Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen.

Zeg dat wij kinderen maken ´s nachts

Om ze ´s ochtends zachtmoedig te kraken, zeg

Aan de zoon als hij dwarsligt aan tafel en zingt

Om met liedjes zijn honger te stillen, zeg

 

Dat wij de muziek uit zijn mond zullen nemen,

 

Dat wij hem klein zullen krijgen met melk

En slaag, met zuurverdiend brood en examens,

Zeg dat zijn dorst de manieren moet leren

Van ons, een dwergvolk van vaders en moeders.

Wij hebben geen noten op onze zang.

 

 

Leonard Nolens – Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen. Querido, 114 blz. isbn 9789 021 439 556

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Janita Monna was werkzaam als programmamaker bij het Poetry International Festival Rotterdam. Ze werkt nu als freelance journalist, en schrijft recensies, interviews en beschouwingen voor onder meer Dagblad Trouw en poëzietijdschrift Awater

 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.