Janita Monna. K Schippers – Tellen en Wegen

Is een tas die iemand even onbewaakt bij je tafel laat staan van jou? En een huisnummer op een huis waarop je uitkijkt vanaf het terras? Mag je de ruimte van een straat je bezit noemen?

Het zijn kleine en tegelijk filosofische vragen bij zaken die over het algemeen veronachtzaamd worden. Het zijn ‘K. Schippers-vragen’, typerend voor zijn poëzie, essays en proza waarin kijken zo’n belangrijke rol speelt.

Bovengenoemde vragen komen uit het prozagedicht ‘De tas’, waarin hij ook een antwoord formuleert: ‘Alles hoort bij je, je bezit het op dit ogenblik, zonder dat je er aanspraak op kan maken, zonder de zwaarte van iets mee te hoeven nemen.’

Het staat in Schippers’ nieuwe bundel Tellen en wegen, de eerste sinds in 1996 de verzamelbundel Een leeuwerik boven een weiland verscheen.

Schippers is de schatbewaarder van wat aan de aandacht dreigt te ontsnappen. Zijn werk is als het ware een kleine encyclopedie van minieme gebaren, van tussenruimtes, van blikken waar zelden een mens acht op slaat.

Hij bewaart in taal dat wat maar kort onthouden hoeft te worden: ‘het gezicht van een taxichauffeur/ hoeveel minuten je te laat kwam/ schoenen die je niet meer draagt’.

De bundel brengt bijeen wat Schippers tussen 1996 en nu zoal schreef, tachtig bladzijden poëzie in totaal. Met behalve gedichten in woorden, ook een vers in cijfers: een vier pagina’s lange optelling die begint bij 1, om daar uiteindelijk ook weer uit te komen. Hier gebeurt wat elders in woorden gebeurt, het vers bijt zichzelf in de staart, het ontstaat en verdwijnt in het wit van de pagina: ‘hier heeft geen woord gestaan’.

K. SchippersK. Schippers is een essayerend dichter die nergens zwaar of theoretisch is. Het is of hij bij een kloppende som, of bij een treffende gelijkenis tussen een vlindervleugel en een plattegrond liefst zou roepen ‘kijk eens!’, zoals een kind, voor wie elke hond of elke fiets opnieuw een wonder is. De verbazing iedere dag op peil houden, noemde hij het ooit. In de kleinste toevalligheden kan betekenis schuilen. In zijn werk tref je geen slapende mens, maar ‘rust/ in een vol hotel/ de nagel naast/ de moedervlek// de enkel bij geronnen bloed/ en woelt het hart/ bedekt door wat/ in delen/ slapen moet’. Daarbij noteert hij zijn haast ongrijpbare wereld in een taal die daar nauwelijks van afleidt – met overigens genoeg beelden om zo in je zak te stoppen: ‘Elke spiegel is een station voor je gezicht’.

Al sinds hij samen met J. Bernlef en Gerard Brands in de jaren zestig het tijdschrift Barbarber oprichtte, toont Schippers een grote liefde voor avant-garde kunst, Dada, Marcel Duchamp (nog vorig jaar verscheen zijn essayistische zoektocht De bruid van Marcel Duchamp). Sporen van de avant-garde zijn ook weer in Tellen en wegen te vinden, al was het alleen maar in het veelvuldig gebruik van bijzondere typografie. Zo heeft een gedicht over een kopje hete koffie de vorm van een kopje, de titel van het gedicht is er als lepel ingestoken.

Enkele van die opvallende typografische verzen zijn meer dan ‘spielerei’: zo is een zon te zien, een zwarte stip met daarin de naam ‘Safiya Husseini’ en daaromheen, als waren het stralen, regels als: ‘Een Tsjechische begint over haar in het Spaans’, ‘een Spaanse begint over haar in het Fins’. Safiya Husseini was een Nigeriaanse vrouw die veroordeeld was tot dood door steniging – ze werd later vrijgesproken. Zo krijgt die zwarte stip er een betekenis bij, is de zon ook een gehurkte vrouw, en lijken die stralen op banen van stenen.

Waarmee niet gezegd is dat ál Schippers taalexperimenten geslaagd zijn. Een gedicht als ‘Met van’, dat slechts uit voorzetsels bestaat, kent misschien een mooi ritme, er lijkt zelfs iets van betekenis uit op te stijgen, maar het beklijft niet. Zoals je na lezing van het spel met plaatswisselingen van de woorden ‘vallen’ en ‘voor’ in ‘Voor val’ slechts je schouders ophaalt: ‘Voor val ik. Ik voor val. Voor ik val.’

Maar uiteindelijk is Tellen en wegen een nieuwe, en toch vertrouwde K. Schippers, met beslist een paar gedichten die ik voortaan meedraag.

 

De gift

 

Geef mij wat je bij je hebt.

Geen sleutels of geld.

Wel wat er maar even is.

 

Het vlug gekrabbelde telefoonnummer.

Het meegestoomde papiertje in je jaszak.

De knoop op het punt van verliezen.

 

De woorden die je net niet hebt gezegd.

je kracht te veel om een deur open te doen.

Alles waar je niets meer aan hebt.

 

Geef mij het geruis van je katoen.

De wind kan wel zonder.

 

K. Schippers – Tellen en wegen. Querido, 84 blz., 28,95 euro, isbn 978 90 214 3957 0

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Janita Monna was werkzaam als programmamaker bij het Poetry International Festival Rotterdam. Ze werkt nu als freelance journalist, en schrijft recensies, interviews en beschouwingen voor onder meer Dagblad Trouw en poëzietijdschrift Awater

 

 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.