Janita Monna. Willem Jan Otten

 

 

In de vorige bundel van Willem Jan Otten, Welkom, werd de lezer – de titel zei het al – uitgenodigd binnen te treden in zijn wereld en deelgenoot te worden van zijn zoekende gedachten over geboorte, leven, dood en geloof.

Anders is dat in de recent verschenen Gerichte gedichten, daarin is Otten vooral in gesprek met God, met zichzelf en met zijn eigen werk. Al is de aangesprokene een ‘u’, kleine letter, waardoor de lezer zich niet buitengesloten hoeft te voelen.

Wie Ottens werk in de afgelopen jaren gevolgd heeft weet dat zijn bekering tot het katholieke geloof daarin een steeds grotere plaats in is gaan nemen. In eerdere gedichten schemerde nog enige twijfel door, en werd met woorden als ‘Zo u bestaat’ nog een zeker voorbehoud gemaakt.

Die twijfel is er niet meer. Deze Gerichte gedichten zijn belijdenisgedichten van een dichter die ‘ja’ gezegd heeft tegen het geloof, tegen God, zonder dat die daarmee overigens kenbaar is geworden: ‘Hoeveel weet ik van u’, is te lezen in een gedicht dat in z’n geheel ook in Welkom stond.

Dat ‘ja’ zeggen is als ingaan op de wens van een vrouw die een kind wil. Conceptie, ontvangen en vrucht dragen spelen in vele betekenissen een rol: het in de kiem aanwezig zijn van leven, van geloof, van poëzie. Dat kan jubelend klinken, zoals in het steeds herhaalde ‘Draagt vrucht’. Het is aangrijpend in de verzen over de eerste bevruchting en het dochtertje dat dood ter wereld komt. ‘Sterven is een heel groot woord,/ voor cherubijntje dood.’ Rampspoed die al voor de conceptie geopenbaard leek te zijn in een leeg kinderfietsstoeltje.

Het is of Otten in deze moderne belijdenissen zijn nieuwe vorm heeft gevonden. Via de poëzie spreekt de dichter met God – en met zijn lezer – zijn schrijven is als een opdracht:

 

U hebt mij gesneden

naar uw stilte. Waarom mij dan niet stom,

maar juist van almaar taal gemaakt?

 

Hij doorbreekt de stilte met mummelende taal die een zekere gedragenheid en rust kent die aan Nijhoff doet herinneren, naar wie op veel plaatsen wordt verwezen. Het zijn gedichten in kort afgebroken regels, ergens wel ‘mijn dagelijks rag/ van brekende zinnen’ genoemd, nu eens vragend, dan berustend of constaterend. De dichter blijft dicht bij het dagelijkse. Een telefoongesprek met zijn oude moeder dat wordt verstoord door een overvliegende Boeing, een uitje met zijn oude vader die nog eenmaal het fragiele jongenskopje van Jan Mankes – ooit familiebezit – wil zien. En in die dagelijksheid is God een allengs vanzelfsprekender aanwezigheid, een die zich op vele manieren toont. Als vader en zoon op weg terug van het museum worden overvallen door slecht weer lezen we:

‘Moest me concentreren op de weg/ want er brak een noodweer uit/ u was bepaald op dreef’.

Deze Gerichte gedichten leggen rekenschap af van een persoonlijke geloofsbeleving – één die op momenten als bovenstaande ook een zeker animistisch element heeft. Er spreekt geen bekeringsdrang uit. Al had ik moeite met een gedicht als dat over oom Rob Ferguson. Die zat als kind met zijn moeder in een Jappenkamp. Op zeker moment moesten jongens van elf het vrouwenkamp verlaten. De jonge, toen dertienjarige Rob kruipt bij zijn moeder op de brits, en bidt samen met haar. ‘Er was in de familie nooit gebeden/ toch wilde Rob uw woorden weten.’ Als de jongen later het kamp wordt uitgereden in een vrachtwagen, prevelt hij. Hij overleeft. Wil Otten hier naïef, en enigszins zalvend zeggen: bid en het zal goed komen? Of is het de taal en de kracht daarvan die vertrouwen moet schenken?

En wie is er in het laatste vers aan het woord? God die de dichter met zijn laptop op schoot ziet schrijven, zittend in de duinen? Of de dichter die God als zijn evenbeeld ziet? Of is dit uiteindelijk het beeld dat de lezer van de dichter heeft?

Die dubbelzinnigheid houdt Otten in stand. En de lezer kan zich aangesproken voelen, of toeschouwer blijven.

Een eik van duizend jaar maar één keer wortel schiet.

 

U kon niet ongedaan gedacht,

wel gemeden als een ziekte,

verraden als een huidskleur,

ontwend als een sigaret.

 

Wind heeft ons niet verlaten

als geen blad beweegt.

 

Ook als heel de slobberende dromedaris is gelest

bestaat de dorst.

Men kwam per leven één keer uit op u, één keer.

Willem Jan Otten – Gerichte gedichten. Van Oorschot. 14,50 euro, 56 blz. isbn 9789028241732

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Bookmark and Share

Comments are closed.