Benno Barnard. Mijn vader uitluiden

Mijn vader uitluiden

For whom the bell tolls…

John Donne

Op 21 november van het nu weldra voorbije jaar stierf mijn vader.

   Het was een zondag, meer bepaald de laatste zondag van het kerkelijk jaar, de zondag van Christus Koning. Mijn vader – niet alleen een groot dichter, maar ook de grootste kenner van het kerkelijk jaar in ons taalgebied – was oud-katholiek, anglicaans op zijn Nederlands zeg maar. In die denominatie is de gangbare aanduiding: de zondag van de Voleinding.

   Voor degenen in wier belevingswereld het kerkelijk jaar op een uitgestorven diersoort lijkt: dat jaar volgt de voornaamste gebeurtenissen in die verwarrende en dikwijls hermetische bibliotheek die de naam De Boeken draagt, ta biblia in het Grieks, de Bijbel dus. Ook van die literatuur was hij een eminent kenner, juist als dichter. De laatste ‘gebeurtenis’ nu, is de verheffing van Christus tot koning, wat de voleinding van de christelijke geschiedenis inhoudt. Als je het zo opschrijft klinkt het zachtjes absurd, maar zachte absurditeit behoort tot de charme van het christelijk geloof.

   De Franse Revolutie bepaalde dat dat het geklep van de kerkklokken het gezonde boerenverstand vertroebelde en hing een seculiere klok op ieder gemeentehuis in de Republiek. Frankrijk, de oudste dochter van de Kerk, beroofde de tijd dus per decreet van zijn mythische allure. Je zou kunnen zeggen dat het kerkelijk jaar zich tot de kalender verhoudt als de kerkklok tot het horloge. De schoonheid van het kerkelijk jaar is zijn mythische ongevoeligheid voor de dictaten van de alledaagse banaliteit. 

   Mijn vader dus.

   Hij gaf de geest om half elf ‘s ochtends, juist toen de klokken van de middeleeuwse kerk tegenover zijn huis plichtsbewust begonnen te beieren – op dat moment was de zondag van de Voleinding aangebroken.

   Ook was het mijn zesenvijftigste verjaardag. Hoe had hij het voor elkaar gekregen! Wat een merkwaardige samenloop van omstandigheden, of hoe je het ook noemen wilde. Het leek waarachtig alsof Mulisch na zijn dood God van de Troon had gestoten.

   Maar dat was nog lang niet alles.

   Ik had drie dagen eerder afscheid van hem genomen. Hij kreeg via een pomp hoeveelheden morfine die indruk zouden hebben gemaakt op een negentiende-eeuwse decadente dichter.

   Zijn laatste woorden tegen mij waren: ‘Ken jij de etymologie van het woord oké?’

   Die kende ik.
   Dat stemde hem tevreden.

   Toen verdween hij weer in de grot van Morpheus, die volgens de mythologie met klaprozen is versierd, als was het een stuk van Vlaanderen.

   Op 21 november bedacht ik het volgende.

   Twaalf jaar geleden, kort na de dood van onze gemeenschappelijke vriend Herman de Coninck, die op het aandoenlijke af antiklerikaal was geweest, vergezelde ik mijn vader op Pasen voor het eerst naar zijn parochiekerk in Utrecht, de stad waar hij woonde. De pontificale hoogmis aldaar – esthetisch verfijnd, maar zonder in een concert te ontaarden, iedereen zong uit volle borst mee – beviel mij nogal. Ik kende het allemaal. Het was mijn kindertijd, anders maar vertrouwd. Ik overwoog toen voor het eerst ernstig om anglicaans te worden.

   De nacht daarop droomde ik dat ik een kerkgebouw zag. Op een soort timpaan stond: O.K. KERK. Dat vertelde ik hem toen; hij moest er smakelijk om lachen: de oud-katholieke kerk was dus oké.

   Zijn laatste vraag betrof de wortelstok van dat woord. Een of andere synaps in zijn stervende brein zal wel de associatie hebben doorgegeven tussen de diepte van zijn levensovertuiging en de vraag of hij nu mocht sterven.

   Na mijn vaders uitvaart kwam er een stokoude heer naar me toe – hij bleek zesenzestig jaar geleden samen met mijn vader in Berlijn een gat te hebben gegraven. Wat deden die jongens, want het waren jonge jongens toen, in Berlijn? De Arbeitseinsatz had ze daarheen gestuurd: ze werkten noodgedwongen in een fabriek van Siemens (in mijn ouderlijk huis trof men dan ook geen artikelen van die florerende Duitse firma aan). De Amerikanen bombardeerden Berlijn en die twee jongens schuilden in het gat dat ze in de wereld hadden gegraven en baden voor hun leven. Een van die bommen ontplofte op tien meter van dat open graf.

   Mijn vader had dat bidden voorgesteld, zo vertelde die bejaarde heer.

   De lezer moet weten dat mijn toekomstige verwekker rond zijn vijftiende levensjaar volstrekt ongelovig was, maar om dezelfde reden als de dichter W.H. Auden was teruggekeerd naar het christendom van zijn kindertijd: tegenover het absolute Kwaad, geïncarneerd in Adolf Hitler, moest ook het absolute Goed

Bestaan. Hun credo was dus het credo ut intelligam van Anselmus van Canterbury, ‘ik geloof om te begrijpen’.

   Ik bedankte de oude heer geroerd en nam het rouwbeklag van de volgende in ontvangst.   

   Dat was op 26 november.

   Toen werd het 2 december 2010 op de seculiere kalender. En zoals ik wel vaker doe: ik rekende uit hoe oud ik nu precies was, op de dag af. De uitkomst projecteer ik dan op mijn vaders leven: wat deed hij toen? Waar woonde hij? Wat publiceerde hij? Hoe oud was ikzelf toen hij zo oud was als ik nu? Et cetera. Mulischachtig. Literatuur uiteraard. Om te lachen natuurlijk. Misschien ook verraadt deze persoonlijke getallenleer een onschuldige vorm van waanzin.

   Ik bleek te zijn geworden: 56 jaar en elf dagen oud. Ik zette de curve van mijn leven af tegen het assenstelsel van geografie en geschiedenis, en de uitkomst was dat ik het in dit tranendal welgeteld één dag langer had volgehouden dan Adolf Hitler.

 

 

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Benno Barnard. Mijn vader uitluiden”

  1. Daniel Hugo :

    Ek het dié stuk met plesier gelees. My pa was mos ook ‘n dominee.