Janita Monna. “Schrijver en lezer” (Toon Tellegen)

 

Er is een opvallende overeenkomst tussen de nieuwe bundel van Willem Jan Otten en de onlangs verschenen bundel Schrijver en lezer van Toon Tellegen: beide verkennen het niemandsland tussen schrijven en lezen. Otten spreekt zijn lezer (en God als grootste lezer) rechtsreeks aan, Tellegen daarentegen voert in bijna ieder gedicht de schrijver en de lezer als personages ten tonele.

Tellegen is een dichter van reeksen, van het projectmatig uitwerken van een onderwerp, en ook deze nieuwe bundel is als zodanig te lezen. Toch leidt die reeksendwang zelden tot eentonige gedichten. Dat komt door zijn eigengereide omgang met de taal. In Tellegens poëzie – overigens ook in zijn dierverhalen en andere werk – kan eigenlijk alles. De vrede kan evengoed in een blauwe jas over straat gaan als dat de krekel zijn reuk kan breken; in zijn gedichten wemelt het van grote woorden als jaloezie, liefde, leven en dood. Die abstracta wekt hij tot leven, hij laat ze verzeild raken in allerhande onverwachte situaties, als waren het personen.

In Schrijver en lezer gunt hij ons een kijkje in zijn keuken en wordt het proces van schrijven onderzocht, vooral de plaats waar schrijver en lezer samenkomen in een fictieve ontmoeting op papier.

Verschillende stadia in het schrijven (de inspiratie, de handeling van het schrijven, de ontvangst, de impasse) komen min of meer chronologisch voorbij. In het openingsgedicht bijvoorbeeld, maakt de schrijver zich op om aan het werk te gaan. Hij houdt een paar (grote) woorden tegen het licht: ‘wroeging’, ‘spielerei’, hij trekt zijn schrijfkloffie aan, zijn ‘dagelijkse ik en mij’,  terwijl bij wijze van hond aan zijn voeten ‘zijn trouwe zelfoverschatting’ ligt. Het vers is een korte scène, zoals Tellegen ze vaker schrijft, en er wordt meteen van alles gezegd over het dichterschap. Dat de dichter zijn ‘ik en mij’ bij wijze van kleren draagt, lijkt weer eens een aansporing om de ik in het gedicht vooral niet te verwarren met Toon Tellegen zelf.

De schrijver zet zich aan zijn taak, omringt door zijn materiaal, de taal en de wereld waarin die taal een plaats heeft. Dat betekent bij Tellegen dat woorden ‘gluren door sleutelgaten,/ luisteren aan deuren’ en aan het eind van de dag (en aan het eind van het gedicht) als verloren schapen worden binnengehaald door de schrijver.  

In zijn groteske gedichten schuurt Tellegen tegen heel wat zaken aan die búiten het gedicht spelen. Zo echoot in de regel ‘de lezer wil de schrijver laten schrijven over onrecht en de onlosmakelijkheid der dingen’, de discussie om meer engagement in de poëzie. Zoals de typering ‘aangrijpend, maar qua toonzetting vooralsnog intrinsiek ontoereikend’ zo uit een recensie geplukt kan zijn. 

De bundel is geïllustreerd met tekeningen van zoon Boris Tellegen. Op één tekening is een mannetje te zien dat is opgebouwd uit blokjes, zittend aan een tafel met een leeg wit vel voor zich. Het is een uitdrukkingsloos mannetje, dat toch iets levends heeft.

Tellegens grote woorden gaan, eenmaal tot levens gewekt, meteen hun eigen gang. Die woorden doen de schrijver worstelen, ze maken dat hij zich gevangen voelt in de taal, én ze kunnen gewelddadig zijn: ‘Huurwoorden sporen de schrijver op’. Ervan overtuigd dat hij helemaal geen schrijver is, gooit hij zich het liefst in ‘de gierput van zijn verbeelding’.

Tegen het eind van de bundel verdwijnt de schrijver langzaam uit beeld, weg van het papier en neemt de lezer zijn plaats in.

Schrijver en lezer poogt in ieder gedicht opnieuw het braakliggende terrein tussen schrijver en lezer in kaart te brengen. Tellegens fantastische logica doet je daarbij van de ene verbazing in de andere tuimelen.

Toch laat deze bundel je onbevredigd achter. De processen die Tellegen beschrijft lazen we van hem al vaker – niet zo sprookjesachtig en grotesk misschien, maar nieuw is het niet. En dan: zijn deze gedichten uiteindelijk wel voor een echte lezer bedoeld? Of is deze exercitie toch vooral poet’s poetry, en zien we een schrijver aan het werk die grip probeert te krijgen op zijn eigen schrijven en de rol van de lezer daarin? 

 

Liefde, wat een woord…

 

de schrijver gooit het weg

met een gebaar van diepzinnige verachting

en de lezer vindt het, onder het raam van de schrijver,

waar hij dagelijks op iets overtolligs wacht,

kan zijn geluk niet op,

koestert het, streelt het,

fluistert:

‘woordje, woordje, als ik jouniet had…’

 

verliest de laatste resten van zijn verstand.

 

 

Toon Tellegen – Schrijver en lezer. Querido. 78 blz. 18,95 euro, isbn 978 90 214 3963 1

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.